Aangekocht in 2010

Met steun van BankGiro Loterij

  • C. Koster - Ereboog zilveren bruiloft Jan Albert Sichterman en Sibilla Volkera Sadelijn

C. Koster, Ereboog zilveren bruiloft Jan Albert Sichterman en Sibilla Volkera Sadelijn, 1746, papier, 31 x 36,5 cm

Jan Albert Sichterman (1692-1763) en zijn vrouw Sybilla Sadelijn betrokken in 1745, na een veelbewogen leven in het verre Azië, hun kolossale huis aan de Groninger Ossenmarkt. Het huis werd geheel gevuld met kunstschatten: werken van beroemde schilders, een menigte aan oosters porselein, deels met eigen familiewapen, uitheemse naturalia en bijzondere kunstig gemaakte kunstnijverheid. Vanzelfsprekend was in de grote zaal van zijn huis een indrukwekkende galerij met portretten van de eigen familie in zware vergulde lijsten. Zijn huis werd gezien als dat van “de koning van Groningen”. Zijn levenswijze sprak nog eeuwen tot de verbeelding.

Sichterman had als jonge vaandrig in een duel zijn tegenstander gedood en om de krijgsraad te ontlopen nam hij de wijk naar Indonesië om te werken bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). De VOC had niet alleen vestigingen in Indonesië maar ook elders in Azië. Sichterman kwam te werken in Bengalen en trouwde met Sybilla Sadelijn, de dochter van een oudere collega, die later zijn baas werd. Carrière en fortuin van Sichterman vaarden er wel bij. Het geld werd niet zozeer verdiend met de jaarwedde als wel met de sluikhandel die men kon drijven. De tol die betaald moest worden was dat alle kinderen al na enkele jaren naar het vaderland gestuurd moesten worden voor een goede Nederlandse opvoeding en toekomst. Het duurde lang voordat Sichterman terug kon keren vanwege mogelijke vervolging voor de doodslag uit zijn jonge jaren, maar in het najaar van 1745 kwam het echtpaar naar Nederland.

Het boeiende levensverhaal kreeg in het Groninger Museum alle aandacht omdat het museum reeds lange tijd mooie grote stukken wapenporselein en familieportretten kon tonen. Ook de imposante deurpartij van zijn huis is sinds 1915 in het museum. Kort geleden deed zich de mogelijkheid voor om de collectie Sichterman van het museum te versterken met een zeer uitzonderlijk papierkunstwerk uit 1746.

Uit wit papier is een buitengewoon decoratieve voorstelling gesneden door ene C. Koster in 1746. De voorstelling stelt een schip van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) voor dat langs een kunstig versierd tuinhek vaart. Het hek is versierd met familiewapens van de ouders van het echtpaar Sichterman - Sadelijn. Het monogram van de VOC en het motto Door nutte koopvaardye bloeit Indus maatschappye zijn duidelijk zichtbaar onder aan het werk. Op de palen staat geschreven Nil Vinclis Dulcius Illis ofwel Niets is zoeter dan deze boeien. Een spreuk die goed past bij het zilveren huwelijk van het echtpaar in 1746. Het papierkunstwerk is buitengewoon zorgvuldig en kunstig gemaakt, gesneden, geperst en geknipt. Bloemen, touwen en bemanning van schepen, alles is met een buitengewone fijnheid gemaakt. Kunstverzamelaars uit de achttiende eeuw waren dol op dit soort kunstwerken. Kundige papiersnijders konden voor hun werk zeker zoveel geld vragen als de bekwaamste schilders van hun tijd. De bewondering voor het vernuft van papiersnijders maakte grote indruk op de bezoekers van de kunstverzameling.

Het werk zit in een vergulde lijst van de firma John Hay uit Aberdeen. Het kunstwerk is kennelijk via de jongste dochter van het echtpaar Sichterman Sadelijn, gehuwd met de Schotse graaf van Kintore, in Schotland beland en zo in de kunsthandel terecht gekomen.

  • Jan Altink - Portret Johan van Zweden
  • Jan Altink - Portret Johan van Zweden (achterkant)

Jan Altink, Portret Johan van Zweden, 1924, wasverf op linnen, 95 x 70 cm

Jan Altink behoorde in 1918 tot de oprichters van De Ploeg. Hij geniet vooral bekendheid als schilder van het Groninger landschap, maar maakte daarnaast ook stillevens en portretten. In de loop van de jaren twintig wordt zijn werk onder invloed van Jan Wiegers in hoge mate expressionistisch. Het jaar waarin hij het portret van zijn bentgenoot Johan van Zweden schildert is daar een bijzonder goed voorbeeld van. De felle complementaire kleuren, hoekige vormen en het gebruik van wasverf zijn dan belangrijke kenmerken in zijn schilderkunst.

In de jaren twintig is het binnen De Ploeg een welhaast ongeschreven regel dat men elkaar portretteert, zo heeft ook Jan Wiegers Johan van Zweden in 1925 geschilderd. Het Groninger Museum heeft de afgelopen jaren belangrijke portretten van Ploegleden verzameld. Zo is het museum onder andere in het bezit van de portretten die Altink van Hendrik Werkman en George Martens schilderde, maar bijvoorbeeld ook van de portretten die Jan Wiegers en Johan Dijkstra van elkaar maakten. Het portret dat Altink schilderde van zijn collega Van Zweden past bijzonder goed binnen de collectie. Het complementeren van portretten van Ploegleden, al dan niet in ‘duel’ geschilderd, is een belangrijk aandachtspunt binnen het Ploegverzamelbeleid.

Interessant is ook de achterzijde van dit portret. De voorstelling van een man met paard, wellicht een voerman in Groningen, past ook geheel binnen Altinks schilderkunstige traditie van die tijd. Het lijkt tevens een experiment. Waar Altink in deze periode voornamelijk hoge horizonnen, omhoogschietende weggetjes of sloten en rugfiguren laat zien, zoals in Fietsers langs het Boterdiep, Na het bezoek en Koopvrouw op landweg, zien we hier een frontale figuur. Qua compositie doet het denken aan Wiegers’ Twee mannen in de sneeuw uit 1924 dat zich eveneens in de collectie van het Groninger Museum bevindt.

  • Joris Laarman - Branch Bookshelf

Joris Laarman, Branch Bookshelf, 2010, brons, 193 x 274 x 99 cm

Van de internationaal spraakmakende jonge Nederlandse vormgever Joris Laarman werd deze bronzen boekenkast gekocht. Dat vorm niet Laarman’s primaire uitgangspunt is, bewees hij met de experimentele en interdisciplinaire projecten waar hij zich na zijn studie op richtte en waarbij verbeelding, technologie en toekomstvisie centraal stonden. De serie Bone Furniture was een opmerkelijke opvolger, en het museum heeft uit deze serie de ‘chaise longue’ in haar collectie. Het opvallend grillig gevormde zitmeubel van kunsthars is geïnspireerd op de manier waarop botten groeien: zo efficiënt mogelijk, dik waar nodig, dun en rank waar het kan. Met speciale software afkomstig uit de auto-industrie, is berekend hoeveel materiaal er precies op elke plek nodig is voor een optimale draagkracht. Of zoals hij het zelf stelde: ‘een sculptuur met gebruikmaking van moeder natuur haar eigen codes.’ Met dezelfde meetkundige principes tot stand gekomen, presenteerde Laarman in 2010 Bookshelf. Het werk, met zijn steeds fijnere vertakkingen, doet ook sterk denken aan een boom of aan de meetkundige figuur van een fractal waarbij dezelfde motieven zich eindeloos op steeds kleinere schaal herhalen.

  • Folkert de Jong - The Sculptor, the Devil and the Architect

Folkert de Jong, The Sculptor, the Devil and the Architect, 2006, styrofoam, gepigmenteerd polyurethaanschuim; installatie ca. 500 x 400 x 300 cm

Folkert de Jong maakt levensgrote beeldengroepen van styrofoam, een voor de kunst atypisch materiaal dat in de bouw wordt gebruikt als isolatiemateriaal tussen spouwmuren. Door dat materiaalgebruik, maar ook door de zeggingskracht en de inhoudelijke gelaagdheid van zijn werk, viel hij op en in 2001 was een parade van verminkte oorlogsveteranen als onderdeel te zien van de groepstentoonstelling ‘Stroomversnelling’ in het Groninger Museum. Acht jaar later waren zijn beelden opnieuw in het museum, dit keer in een grote solotentoonstelling. Inmiddels werkte De Jong ook met gegoten polyurethaan, waarmee hij beelden creëerde die steeds weer de menselijke conditie, en De Jongs sombere kijk daarop, tot onderwerp hadden.

Behalve thema’s als geweld en gekte, bleek De Jong ook gefascineerd door de kunstgeschiedenis. In verschillende werken komt dit tot uiting en een van de beste voorbeelden daarvan bevindt zich in de collectie van het museum: The Sculptor, the Devil and the Architect. Het werk, met als basismateriaal lichtblauw styrofoam, heeft als thema het modernisme en De Jong’s plek als kunstenaar binnen die traditie. Naast een zelfportret laat hij hier een drietal belangrijke protagonisten uit die beslissende periode van de twintigste eeuw samenkomen: de architect Le Corbusier, de beeldhouwer Constantin Brancusi en de Amerikaanse kunstverzamelaar Peggy Guggenheim (niet op deze foto te zien). Een idyllisch miniatuurlandschap met rustieke vakwerkhuisjes staat tussen hen in en is een verwijzing naar het Roemeense geboortedorp van Brancusi, maar ook naar de rustieke stijl waartegen de Le Corbusier zich zo verzette. Even verderop zit de figuur van De Jong met op schoot een miniatuurversie van de Eindeloze zuil, een van Brancusi’s beroemdste beeldhouwwerken.