'Ik wilde iets terugdoen'

Vrienden van het Groninger Museum: Jan Bijker en Stien Wendelaar

Kunst boeit Jan Bijker al sinds hij een kleuter was. De grootste liefde van de scheidend penningmeester van de Vereniging van Vrienden van het Groninger Museum staat in zijn woonkamer: een oude secretaire, verbrand door Maarten Baas.

Zwart als ebbenhout met een reliëf dat doet denken aan krokodillenvel, zo ziet de antieke kast in de woonkamer van Jan Bijker en Stien Wendelaar eruit. Alleen de vorm doet nog denken aan de secretaire van Wendelaars vader. Kunstenaar Maarten Baas stak de kast in 2006 in de fik en sindsdien is het hun pronkstuk.

Nieuw begin
Bijker en Wendelaar hadden een tentoonstelling in het Groninger Museum gezien rond het eerste werk van de pas afgestudeerde Baas. Voor het project Smoke verbrandde hij 25 designklassiekers, zoals de zigzagstoel van Gerrit Rietveld en een van de stoelen van Thonet. Ze waren er meteen door geraakt. Bijker vertelt: “Mijn vrouw en ik waren nog niet lang samen. Veel mensen zeiden tegen ons: wat mooi dat jullie opnieuw kunnen beginnen. Maar zelf zagen we dat anders. Onze relatie was inderdaad een nieuw begin, maar ik was weduwnaar en Stien was gescheiden; we namen ons verleden mee, dat sloten we niet af. Zo was het ook met de kunstwerken van Baas: het verleden kreeg een nieuwe vorm.”

Ze schreven de kunstenaar een brief waarin ze hem vroegen de kast van Wendelaars vader onder handen te nemen. Zo kwam het dat Maarten Baas enige tijd later kwam voorrijden in een oude verhuisbus om het meubel mee te nemen naar zijn werkplaats in Eindhoven. “Durf je het aan?”, vroeg hij. Wendelaar: “Maar daar hebben we geen moment over getwijfeld.” Natuurlijk, het was wel even spannend toen ze de kast weer ophaalden uit de loods. Maar zodra ze het resultaat zagen, was het goed. “De tranen liepen me over de wangen. En ik vind het nog iedere dag een sensatie.”

Bovenop de zwarte kast staan nu drie blauw-witte vazen van Chinees porselein. Die horen erop, zegt Bijker. “De kast is van Stiens vader, de vazen komen van mijn voormalige schoonouders, de ouders van mijn overleden vrouw.” Wendelaar vult aan: “Het is ons beider verleden, dat bijdraagt aan het heden.”

Uitdaging
Goede kunst daagt een beetje uit, vindt Bijker. Daar is de kast een voorbeeld van, maar ook het constructivistische schilderij van Siep van den Berg dat in hun keuken hangt. “Het is helemaal niet erg als een kunstwerk je af en toe irriteert.” Hij waardeert het als een kunstenaar maatschappelijk betrokken is, verbinding heeft met ‘het echte leven’, maar engagement hoeft er van hem niet duimendik bovenop te liggen. “Dan hoor ik al snel de dominee vanaf de kansel.” Het hoeft allemaal niet perfect te zijn; dat vindt hij ook zo sterk aan het werk van Baas. “Met Smoke wilde hij laten zien dat iets dat vergaat nog steeds mooi kan zijn. Onze maatschappij is geobsedeerd door volmaaktheid. Bijzonder dat hij dat als net afgestudeerde jongen al zag.”

Al op zijn vijfde was Bijker gegrepen door kunst. Hij weet het nog precies. Zijn ouders namen hem mee naar het Rijksmuseum Twenthe. “We zien wel waar het schip strandt, dachten ze”, vertelt hij met een lach. “Ze hadden verwacht dat ik na een half uurtje wel vervelend zou worden. Maar ze kregen me bijna niet meer mee naar huis.” Hij ziet het nu zelf ook bij zijn kleinkinderen, die hij graag meeneemt naar het museum. “Van tevoren zeggen ze dan: nee opa, we willen naar het zwembad. Maar zijn ze er eenmaal, dan gaan ze erin op. We gingen eens kijken naar een serie houtsculpturen met daarin een vreemde groene substantie. Ze bleven maar kijken. Zit daar snot in?”

Iets terugdoen
Bijker, geboren in Enschede, kwam eind jaren zeventig in Hoogezand wonen. Hij kreeg een baan bij Nieuw Woelwijck, een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Al snel werd hij een vaste bezoeker van het Groninger Museum en vervolgens lid van de Vereniging van Vrienden van het Groninger Museum. “Wij horen tot de eerste generatie uit een arbeidersmilieu die musea bezoeken en naar het Concertgebouw gaan. Ik vind het een groot goed dat kunst in onze tijd zo toegankelijk is geworden.”

Zijn eerste echtgenote zat in een rolstoel en daardoor leerden ze veel musea van een andere kant kennen. “Waar we ook kwamen, er werd altijd veel moeite gedaan om mijn vrouw alles te laten zien. Dus ook de verdiepingen die moeilijk toegankelijk waren. Dat heb ik erg gewaardeerd.” Toen hij in 2004 werd gevraagd om penningmeester van de Vrienden te worden, aarzelde hij niet. “Ik wilde iets terugdoen.”

Nu is het bijna zover dat Bijker het stokje doorgeeft. In veertien jaar heeft hij de administratie van de Vrienden flink kunnen moderniseren. Dat is met 1700 leden geen overbodige luxe, zegt hij. “Toen ik aantrad werd er nog gewerkt met een kasboekje. Als we controleerden of de contributie al binnen was, liepen we met de vinger de lijsten na. Een hele klus. Nu is de administratie geautomatiseerd, hebben we voor de vrienden een systeem met pasjes voorzien barcodes. Ik wilde het goed achterlaten voor de nieuwe generatie.” 

 

Auteur: Dorien Vrieling

  • Foto: Christopher Smith