Kunst mag ruig en onaf zijn

Interview met Arie van Drongelen door Dorien Vrieling

Al sinds zijn jeugd houdt beeldhouwer en schilder Arie van Drongelen van het werk van Rodin. Het ongepolijste en beweeglijke van de Franse kunstenaar inspireerde hem in zijn eigen werk. Wat spreekt hem het meeste aan?

Arie van Drongelen zet twee beeldjes naast elkaar op de tafel. Het zijn vrouwelijke torsen, met vleugels aan de schouders. Het ene beeldje is ruw, grijswit, het ziet oud uit. “Alsof het opgegraven is, toch?” zegt van Drongelen. Het andere beeld heeft precies dezelfde vorm, maar dan is het donkergroen, en niet ruw, maar glimmend, met glooiende vormen. Het eerste heeft een giethuid, legt hij uit, je zou kunnen zeggen dat het de eerste versie is. Het gladde beeld is verder bewerkt, gepatineerd.
Beide beelden zijn door hem zelf gemaakt. Het gladde, groene beeld is misschien het meest geïnspireerd op het werk van Auguste Rodin. “Door goed te kijken naar zijn beelden leerde ik hoe je beweging kunt suggereren,” zegt van Drongelen. “Dat kon hij als geen ander. Kijk, de bultjes en ribbels hier en daar, die weerkaatsten het licht. Daardoor lijkt het te bewegen.” Maar ook in het ruwe beeld ziet hij wel iets van Rodin terug. “Zijn werk liet me zien dat kunst niet gaaf hoeft te zijn, maar ruig en onaf mag zijn.

Ontmoetingen
Arie van Drongelen was jarenlang huisarts in Finsterwolde. Hij beeldhouwt en schildert sinds zijn schooltijd. In het café-restaurant van zijn ouders ontmoette hij als jongen veel kunstenaars. “Daar heb ik het mee getroffen,” zegt hij. “Van hen leerde ik veel over kunst.” Op de middelbare school ontwikkelde hij zich in tekenen, schilderen en beeldhouwen, maar vond dat hij te weinig talent had om er zijn vak van te maken.  
Toen hij jaren later als jonge huisarts in Finsterwolde terecht kwam, raakte hij bevriend met een beeldhouwer die net een gieterij was begonnen in het dorp. “Ook weer zo’n gelukkig toeval,” zegt van Drongelen. Na jaren gewerkt te hebben met klei kon hij nu wassen beelden laten gieten. “Was is een geweldig materiaal, want je kunt het blijven veranderen.”

Rodin kende hij aanvankelijk alleen uit boeken. “Hoe meer ik over hem las, hoe meer ik hem ging bewonderen. Maar toen ik in de jaren zeventig voor het eerst in het Parijse Musée Rodin kwam, ging zijn werk pas echt leven.” Eerst waren het vooral beroemde beelden als De Denker en De Kus die van Dronkgelen aanspraken, later raakte hij meer geboeid door de ruigere werken. “Hij laat mensen vaak op onesthetische manier zien. Zijn dansers, bijvoorbeeld, hebben niet per se elegante poses, maar ze maken indruk vanwege hun heftige, wilde bewegingen. In al het werk van Rodin zit een dierlijke, seksuele lading. Een soort oerdrift.”

Engelen
Van Drongelens huis staat vol beelden. Op de eettafel een door hem zelf gemaakte kandelaar in de vorm van een engel, “engelen waren een tijdlang een belangrijk thema in mijn werk”, in de vensterbanken torsen, portretkoppen Enkele werken van Arthur Spronken, “de beste levende Nederlandse beeldhouwer.” En er liggen veel boeken. Onlangs begon hij opnieuw de dichter Rainer Maria Rilke te lezen. “Hij heeft schitterende teksten geschreven over het werk van Rodin, waarin hij probeerde diens werk bekendheid te geven. In die jaren, begin twintigste eeuw, werd Rodin nog niet begrepen, Rilke zag Rodins levenskracht, maar ook zijn enorme werklust. Kunst kun je alleen maken door altijd te werken, wist Rodin. Het is geen kwestie van wachten op inspiratie.” Kunst is ook: je blijven ontwikkelen, zegt van Drongelen. Soms zelfs iets stukmaken, het opnieuw vormen. ‘Rodin hakte weleens een arm of een been van zijn werk af. Hij wilde laten zien dat het niet om het voltooide beeld gaat, dat de kijker hoe dan ook het kunstwerk in zijn gedachten tot stand brengt.” 

Bedoeling
Het ultieme werk van Rodin is voor hem De Poort van de Hel. “Het is zijn grote levenswerk. Een bronzen deur van wel zes meter hoog, waarin allerlei beelden die hij gemaakt heeft samenkomen, net als zijn thema’s: liefde, erotiek en dood. Het raakt me dat hij jarenlang bewust een oeuvre heeft opgebouwd, dat samenkomt in De Poort van de Hel. Hij heeft zich nooit laten verleiden tot het maken van lieve portretjes in opdracht, hij heeft bij alles een bedoeling gehad.”
Hoe vaak hij de werken van Rodin ook al heeft gezien, van Drongelen kijkt uit naar de tentoonstelling in het Groninger Museum. “Ik hoop dat de tentoonstelling zijn werk weer bij een nieuw publiek brengt. Jonge mensen lijken soms een beetje bang voor het figuratieve te zijn. Ze zien een beeld of een schilderij van een landschap snel als kitsch. Dat vind ik jammer.” Het liefst wil hij in de tentoonstelling schetsen in gips van Rodin zien. “Die brengen je het dichts bij de kunstenaar, en dat is waar je als bewonderaar wilt zijn.”