Coop Himmelb(l)au

Coop Himmelb(l)au Paviljoen

  • Coop Himmelb(l)au - Foto: Peter Tahl © Groninger Museum
  • Loopbrug Coop Himmelb(l)au - Foto: Ralph Richter

Het paviljoen van Coop Himmelblau is ontworpen als een uitvergrote sculptuur op de sokkel van de Mendini paviljoens. Het steekt er ook aan diverse kanten over uit. Dit paviljoen wijkt sterk af van de klassiek-harmonische en symmetrische architectuur van Mendini, De Lucchi en Starck. Alles is schots en scheef en ontregelend. Op onverwachte plekken valt daglicht binnen of staat de bezoeker opeens (overdekt) buiten. De kleuren zijn die van de materialen: grijs (beton), rood (staal) en zwart (teer).

De grote ruimte met twee zijruimtes was oorspronkelijk bestemd voor oude beeldende kunst. Er werden wandpanelen langs de loopbrug gehangen en kleine verplaatsbare wanden in de ruimte geplaatst. Haks wilde zo het contrast tussen de onverwachte eigentijdse ruimte en de traditionele verwachting bij 17de en 19de eeuwse schilderijen - van klein formaat - benadrukken. Door de moeilijk te beheersen klimatologische omstandigheden werd al snel besloten hier grote installaties en grote ontvangsten te laten plaatsvinden. In de loop der jaren herbergde het paviljoen bijvoorbeeld een vliegtuig,een vliegende schotel en dansfeesten met vj’s.

Het bouwmateriaal is beton en staal (van een scheepswerf), dat op plekken waar de materialen elkaar niet raken opgevuld wordt met glas. De architectuur van Coop Himmelb(l)au wordt gerekend tot het deconstructivisme. Deconstructivisten verzetten zich tegen de constructivisten, voor wie de functionele opbouw en toepassing van materialen voorop stond. Deconstructivisten maken juist alle onderdelen en materialen los van de klassieke samenhang. Een raam kan in een vloer zitten, het onderscheid tussen wand en plafond, binnen en buiten valt grotendeels weg. Coop Himmelb(l)au kiest voor de ervaring van bewegen in de ruimte, met allerlei geluiden van stalen loopbruggen en plotseling invallend daglicht.

Bureau Coop Himmelb(l)au, geleid door Wolfgang Prix en Helmut Swiczinsky, werd gekozen omdat er vertrouwen was in hun snelle werkwijze. Het paviljoen is namelijk een grotere broer van een eerder paviljoentje van de architecten, dat gebouwd werd bij de manifestatie What a wonderful world! Music videos in architecture in 1990. In dit paviljoentje werden dansvideo’s getoond. Via een loopbrug betrad de bezoeker vanaf de wal een drijvend platform, waarna een soort doos in de vorm van wanden dichtschoof, vanaf de wal af. Het paviljoentje lag precies op de plaats waar nu de brug naar het nieuwe museum ligt, aan de singelzijde. Het is uiteindelijk versleept naar Delfzijl, waar het nog steeds te bewonderen is.

De architecten, Wolf Prix en Helmut Swiczinsky, begonnen met het maken van zogenaamde automatische schetsen, met de ogen dicht. Dit is een werkwijze die door de Surrealisten in de beeldende kunst is geïntroduceerd. Daarna werden deze schetsen uitgevoerd als kleine maquettes. Uiteindelijk werden ze vertaald in computerontwerpen en de definitieve vorm. De oorspronkelijke schetsen keren, sterk uitvergroot, terug als patroon binnen en buiten.

Het grootste deel van het paviljoen, dat bestaat uit metaal en glas, is gebouwd op een scheepswerf oostelijk van Groningen en via het Verbindingskanaal naar de plek van het museum versleept. Niet alleen in het zichtbare materiaal, maar ook in de vormen zijn de verwijzingen naar schepen goed te zien. Zowel binnen in het paviljoen als aan de buitenzijde zijn er loopbruggen. De loopbrug die dwars door het paviljoen heenloopt kan aan één kant zelfs opgehaald worden zoals bij een echt schip.