De keuze van een vriend: Kees van der Ploeg

Door Trix Fledderus, Museummagazine nr 1 2014

800x600

Normal 0 21 false false false NL X-NONE X-NONE MicrosoftInternetExplorer4 Kees van der Ploeg studeerde in Groningen kunstgeschiedenis met als specialisatie middeleeuwse architectuur. Hij doceert kunst- en architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Radboud Universiteit Nijmegen. De redactie heeft hem gevraagd uit de collectie van het museum een of meer kunstwerken te kiezen die volgens hem niet in de presentatie mogen ontbreken. In dit interview vertelt hij over zijn keuze. 

Wat is je relatie met het Groninger Museum?

Als student kwam ik vanzelfsprekend al vaak in het museum, waar ook toen al een gevarieerd aanbod aan tentoonstellingen te zien was. Wat verderop in de studie raakte ik ook wel eens betrokken bij de organisatie van een tentoonstelling. De eerste was Stad, wat doe je ermee? 100 jaar bouwen in Groningen, die door het Instituut voor Kunstgeschiedenis in samenwerking met het Groninger Museum werd gehouden op de ruime omlopen van de toen splinternieuwe Oosterpoort in Groningen. De aanleiding vormde het Monumentenjaar 1975, maar de opzet was veel breder: het ging om de omgang met de stedelijke ruimte in Groningen sinds de ontmanteling van de wallen, die door de Vestingwet van 1874 mogelijk was geworden. Een belangrijk onderwerp was de wederopbouw van de Grote Markt, waarover eigenlijk niemand tevreden was. De huidige plannen voor de oostwand met daarachter het Groninger Forum komen in feite uit dit aanhoudende ongemak over de Grote Markt voort – en of het resultaat nu wel goed zal uitvallen, is opnieuw zeer de vraag.

Een andere activiteit betrof in 1984 de jubileumtentoonstelling van de Stichting Oude Groninger Kerken in de synagoge, die toen pas was gerestaureerd. Op deze tentoonstelling, Kerken bekeken, waren schilderijen, grafiek en tekeningen uit het museum en particuliere verzamelingen te zien, met als onderwerp de veelal middeleeuwse kerken in Groningen. De kern werd gevormd door het werk van kunstenaars van De Ploeg, die het beeld van het Groninger landschap, waarin de kerkgebouwen nogal eens prominent figureren, in belangrijke mate hebben bepaald.

 Toen in 1978 bij de heropening van het vernieuwde museumgebouw aan de Praediniussingel de Vereniging van Vrienden van het Groninger Museum werd opgericht, ben ik, hoewel nog student – in die tijd kon je nog lang over je studie doen, zodat er ruimte was voor allerlei bijvakken – , vrijwel direct vriend geworden en ook altijd gebleven. In 1985 werd ik door Jos Hermans, die al vanaf het begin bestuurslid was, gevraagd om met mijn kunsthistorische achtergrond het bestuur te komen versterken. Daarvan heb ik tot 1998 deel uitgemaakt, in 1995 korte tijd als interim-voorzitter, toen de vereniging even in bestuurlijk zwaar weer verkeerde – wat we gelukkig uit de publiciteit hebben kunnen houden.

Vanaf 1987 was ik de facto jarenlang hoofdredacteur van het Bulletin van de Vereniging, dat uiteindelijk in 1998 is opgegaan in het Groninger Museum Magazine. Een van de aardigste afleveringen, althans in mijn beleving, was de laatste, waarin alle aankopen van de Vereniging sinds de oprichting in 1978 werden samengevat – die aankopen vormen op zichzelf een prachtige weerspiegeling van de veelzijdigheid van het museum.

De ontwikkeling van het museum en zijn collectie heb ik aldus op de voet kunnen volgen. Ik heb vaak met bewondering vastgesteld hoe achtereenvolgende directeuren met een te klein aankoopbudget toch heel mooie aanwinsten wisten te realiseren. Jos de Gruyter is begonnen de horizon van het museum te verruimen, maar zijn directoraat was geëindigd voordat ik naar Groningen kwam. Bram Westers was de eerste directeur die ik aan het werk heb gezien. Hij wist prachtige voorbeelden van de Nieuwe Figuratie en van het Amerikaans fotorealisme te verwerven. Zijn opvolger Frans Haks articuleerde het museum nog veel nadrukkelijker als een broedplaats voor eigentijdse kunst.  

Een prachtig  voorbeeld, dat eigenlijk niet in De Collectie zou mogen ontbreken, vind ik Wege der Weltweisheit: die Hermannsschlacht (1980) van Anselm Kiefer.

Deze enorme collage laat in zwart geschilderde portretten tegen een ondoordringbaar woud als achtergrond zien. Door zijn omvang is dit wand vullende werk monumentaal op zijn Duits – en enkel daarom zal het wel niet op de tentoonstelling kunnen hangen – , maar door zijn inhoud is het tegelijkertijd ook een ironisch commentaar, dat alle ongerief van de moderne Duitse geschiedenis op een sublieme wijze verbeeldt. Het pleit voor Haks’ inzicht dat toen hij dit schitterende bruikleen wist te verwerven, Kiefer nog niet algemeen als een van de belangrijkste naoorlogse kunstenaars werd beschouwd, maar voor velen als een hinderlijke provocateur gold. 

Welk kunstwerk mag volgens jou zeker niet ontbreken in de Collectie?

Dat zijn de bronzen apostelkoppen, die in 1911 in een beerput in de Oude Ebbingestraat zijn aangetroffen en daarin mogelijk terecht zijn gekomen tijdens de roerige periode voorafgaand aan de Reductie van 1594. Rijksarchivaris jhr. mr. J.A. Feith, die als conservator ook het museum bestierde, veronderstelde dat deze apostelkoppen afkomstig waren van een reliekschrijn dat in de Sint Walburgkerk heeft gestaan, maar het zou evengoed de Martinikerk kunnen zijn geweest, die in elk geval in de late middeleeuwen op een fraaie reliekenschat kon bogen. Het Groninger Museum kocht de vondst nog in datzelfde jaar voor vijfhonderd gulden aan. Een van de koppen is overigens onder nooit goed opgehelderde omstandigheden in de collectie van de schatrijke bankier en verzamelaar John Pierpont Morgan terecht gekomen en langs die weg uiteindelijk in het Metropolitan Museum in New York.

Deze twaalfde-eeuwse reliëfs zijn niet in Groningen gemaakt, maar waarschijnlijk uit een Westfaals of Nedersaksisch atelier afkomstig. Daaruit blijkt het netwerk waarin middeleeuws Groningen functioneerde. Wat ze, zuiver esthetische gezien, zo bijzonder maakt, is de verregaande stilering van de gezichten. Daardoor lijken ze tegelijk ook heel modern. Je zou er zo een portret van Jan Wiegers naast kunnen hangen, bijvoorbeeld dat van Anton Constandse uit 1924. Helemaal onbegrijpelijk is dat overigens ook weer niet, want expressionistische kunstenaars zoals Ernst Ludwig Kirchner die van grote betekenis is geweest voor de artistieke ontwikkeling van Wiegers, hadden een grote belangstelling voor de directe uitdrukking en de ongepolijste ‘primitiviteit’ die zij in middeleeuwse kunst zagen.