Graffiti Art

Dubrow Collectie

In het begin van de jaren zeventig kreeg graffiti kunst steeds meer bekendheid. Het werd aangebracht op treinen en muren in openbare ruimtes in New York, de stad waar het allemaal begon. Het doel van de graffiti spuiters was het zo opvallend mogelijk aanbrengen van een naam of logo al dan niet in combinatie met een cartoonachtige figuur. Net als in andere nieuwe kunstbewegingen ontwikkelde de graffiti zich doordat een paar individuen hun stijl beginnen te veranderen,  zowel de compositie als het gebruik van kleur en materialen.

  • Original Shit: Quik

Door de rivaliteit tussen de verschillende kunstenaars en stijlen ontstonden de zogenaamde style wars, waarbij steeds weer nieuwe graffiti stijlen en steeds krachtigere boodschappen boven kwamen drijven. Het draaide allemaal om het achterlaten van een eigen logo op publieke plekken, het verspreiden van een naam, bekend worden en de beste worden. De beeldtaal vloeit voort uit de bekende reclame-uitingen en populaire stripfiguren. Met de spuitbussen konden op een snelle en krachtige manier contouren en nevelachtige kleurvlakken worden aangebracht op diverse oppervlakken.

Keith Haring, Lee Quinones en Quik waren belangrijke figuren in de opkomende graffiti-scene van New York. Hun werk laat zien dat graffiti niet alleen stilistisch, maar ook door de politieke boodschappen de kunstwereld probeerde op te schudden. De beeltenissen waren vaak weinig optimistisch en bevatten een sociaal of politiek statement. De werken Original Shit van Quik en The Executioner van Lee Quinones maken deel uit van een aanzienlijke collectie graffiti-tekeningen, die de New Yorkse kunstverzamelaar Norman Dubrow in 1989 aan het Groninger Museum schonk.

  • Graffiti never dies!: Quik
  • Original Shit: Quik

Metrotreinen vormde het uitstekende medium om zoveel mogelijk aandacht van publiek te krijgen. Doordat het graffiti spuiten illegaal was, vaak ’s nachts gebeurde leidde dit niet alleen tot grote technische vaardigheden, maar ook tot verzet tegen autoriteiten en een verheerlijking van de eigen subcultuur. In de jaren tachtig gingen de graffiti kunstenaars ook op doek en papier werken waardoor ze in Europa werden gepresenteerd als nieuwe kunststroming. Fotografen zoals Henry Chalfant en Marta Cooper droegen bij aan de bekendheid van graffiti kunst en via deze foto’s maar ook videoclips kwam deze vorm van kunst uiteindelijk bij verzamelaars, galeriehouders en musea terecht.

  • The Executioner: Lee Quinones
  • Study for ‘Three Deaths on a Hill’: Lee Quinones

Naast de tussenpersonen die voor meer bekendheid van de graffiti kunst zorgden, waren er nog twee aspecten die een rol speelden in de acceptatie van graffiti als een nieuwe kunstbeweging in de jaren tachtig. Allereerst toonde de kunstwereld zelf steeds meer interesse in commerciële kunst en daaraan gerelateerde trends zoals: de inspiratie van kindertekeningen, entertainment en de weerstand tegen saaie en intellectuele concepten. Een tweede aspect is de interesse van de kunstwereld in reclame fotografie, videoclips met jonge idolen en de wederopstanding van de Pop Art kunst van Andy Warhol en collega’s. Het Groninger Museum was een voorloper binnen deze ontwikkeling omdat toenmalig directeur Frans Haks graffiti als een belangrijke stroming waardeerde en het binnen de kunsthistorische ontwikkelingen plaatste.

Ga hier terug naar de overzichtspagina.