Elzenboompjes, huizen en Martinitoren

Job Hansen

Vanaf  1927 trokken Job Hansen en Jan Altink er samen op uit om snelle impressies van het platteland vast te leggen. Hansen ontwikkelde hiervoor de benzinerellen, zoals Werkman ze noemde. Op met zinkwit bedekte plaatsjes triplex bracht hij met benzine aangelengde verf aan. Zo kon hij snel heel lichte, doorzichtige landschappen maken. Hoe ging Hansen te werk?

  • Job Hansen (1899 – 1960), Elzenboompjes, huizen en Martinitoren, 1928, Olieverf op triplex, Bruikleen particuliere collectie

Job Hansen gebruikte in zijn benzinerellen vooral zijn handen, waardoor grote vegen ontstaan. De benzinerellen van Hansen nemen een geheel eigen plaats in binnen de moderne kunst in Groningen en  Nederland. Ze tonen aan dat hij als beginnend kunstenaar in staat bleek een oorspronkelijk idioom te ontwikkelen, dat achteraf beschouwd een wezenlijke vernieuwing betekende binnen de Groninger schilderkunst.

Hansen was architect, schilder en tekstschrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging hij met zijn  klasgenoot Johan Dijkstra naar Amsterdam. In tegenstelling tot Dijkstra ging hij echter niet naar de Rijksacademie, maar werkte hij op een handelskantoor. Na zijn terugkeer in Groningen studeerde hij naast zijn werk als bouwkundig tekenaar voor architect.

Via zijn contacten met de kunstenaars van De Ploeg, ontmoette hij in 1923 Hendrik Nicholaas Werkman. In 1924 werd Job Hansen  lid van De Ploeg als architect. In dat jaar schreef hij ook zijn eerste begeleidende teksten in de catalogus van De Ploeg, poëtisch en nuchter tegelijk. In zijn teksten bracht Hansen de mentaliteit tot vernieuwing tot uiting, met korte zinnen en soms verrassende wendingen. Als architect koos hij voor functionele en strakke vormgeving, met kleur als middel om levensvreugde te tonen.