Interview met Egge Knol

Door Karin Sitalsing, Museummagazine nr 2 2014

Voor vele  Vrienden  is Egge Knol, conservator archeologie, geschiedenis en oude kunst van het Groninger Museum, een goede bekende.  Regelmatig geeft hij lezingen op Vriendenavonden en begeleidt hij excursies.  Bovendien schrijft hij voor de Vriendenpagina’s in het museummagazine over interessante aanwinsten, die met de steun van de VVGM aangeschaft zijn.  In het vorige nummer werd hij geïnterviewd over de unieke schroefdaalder, met binnenin de 17de eeuwse portretten van  Johanna Alberda en Johan Lewe van Middelstum. In het kader van het 20-jarig bestaan van het museumgebouw, treft u in deze aflevering  een  interview met Egge door journalist Karin Sitalsing aan. Egge vertelt over zijn herinneringen aan deze roerige periode in de Groninger geschiedenis  en van hemzelf . Dit interview is  één van de meer  dan vijftig verhalen die zullen verschijnen in de jubileumuitgave, waarover u elders in dit magazine kunt lezen.

Egge Knol wil even iets rechtzetten. Velen beweren dat Frans Haks helemaal niets had met de geschiedenis, de regio en oude kunst. Dat klopt niet, zegt Knol. Hij vond het alleen niet mooi genoeg. ‘Frans had een hoog gevoel voor kwaliteit, alles moest imponeren. En daar wringt zich de wrede werkelijkheid.’

Tijdens een wandeling met Haks door het museum naar kantoor verzuchtte hij een keer dat hij er ook niets aan kon doen dat Jan Abel Wassenbergh nu eenmaal minder goed schilderde dan Cornelis Troost. Haks bleef staan, keek Knol aan en zei: ‘ja, jámmer hè?’

Het speet hem echt, zegt Knol. ‘Frans zat gevangen in zijn eigen hoge kwaliteitseisen.’

Zo was er dat kleine schilderijtje, nauwelijks groter dan een ansichtkaart, een zelfportret van Elisabeth Geertruida Wassenbergh, de dochter van Jan Abel. Het kostte een smak geld, Frans wilde het niet kopen. Terwijl de historische waarde enorm is: een van de weinige vrouwelijke schilders - en nog uit Groningen ook! Gelukkig hebben de Vrienden van het Museum het gekocht en aan het museum geschonken.’

Ten tijde van verbouwing en verhuizing was Knol samen met collega Ida Stamhuis verantwoordelijk voor het paviljoen van De Lucchi. Dat viel nog niet mee, want de maten van voorwerpen waren in Italië met fantasie opgepikt. Lang niet alles paste en we hebben flink moeten improviseren. En dan de opstapjes. Mensen werden naar de vitrines gezogen en zagen zo de op- en afstapjes niet. Geregeld verstapte iemand zich. Frans zag geen enkele aanleiding om er iets aan te doen. Tot hij zelf van zo’n afstapje afdonderde, natuurlijk’, knipoogt hij.

Het spijt hem, zegt hij, dat er na de watersnood niet voor gekozen is het regionaal verleden terug te brengen. ‘De regio verdient een verleden hier in huis. Bovendien: de kunst van nu begrijp je alleen als je je wortels kent.’

Elke kunstenaar grijpt terug op het verleden, weet hij. De geschiedenis loskoppelen is jezelf ontwortelen. ‘We hadden een keer een expositie van 18e-eeuwse Groninger portretkunst. Mark Wilson zette daar toen kostuums van Viktor en Rolf bij. Prachtig was te zien hoe de moderne ontwerpers beïnvloed waren door het verleden.’

Bovendien, zegt hij, maak je jezelf als museum zo ook aantrekkelijker voor bezoekers met verschillende voorkeuren, komt iedereen aan zijn trekken. De kritiek dat een museum juist zou moeten kiezen voor één thema, verwerpt hij. ‘Wij hébben een eigen smoel, maar daar past ook ruimte voor de regio bij. Niet in het hele huis, maar in een hoek van het huis.’

Van Haks leerde hij veel over het presenteren van objecten. ‘Als conservator, net van de universiteit, maak je keuzes op inhoudelijke gronden, je hebt dan de illusie dat je alles nodig hebt. Van Frans leerde ik: als je acht dingen hebt, maar een rijtje van zeven staat mooier, dan moet je streng zijn en er eentje schrappen.’

Het museum is nog steeds verrassend, zegt hij, het steekt nog altijd met kop en schouders uit boven andere musea, met zijn sprankelendheid en vibrerende kleuren. Als je het vergelijkt met het Rijksmuseum is dat als gebouw feitelijk heel saai. Maar omdat daar zo'n enorme kwaliteit over je heen dondert valt het niet op.’

Tekst: Karin Sitalsing