Job Hansen

Groningen 1899 - Groningen 1960

Ploeglid 1923-1925 en vanaf 1934-1941

Jacob Gerard (Job) Hansen werd in 1899 te Groningen geboren. Al jong ontwikkelde hij artistieke ambities, maar uiteindelijk koos hij een andere richting. Na de Hogere Handelsschool te hebben doorlopen vond hij in 1920 in Amsterdam een betrekking als correspondent buitenland bij de Maatschappij tot Exploitatie van Fijnhouthandel en Stoomzagerij. Hij woonde in Amsterdam op kamers in hetzelfde huis als Johan Dijkstra. Daar leerde hij ook Jan Wiegers kennen. In 1922 keerde hij naar Groningen terug om als bouwkundig tekenaar aan de slag te gaan op het architectenbureau van Evert van Linge. Voor de nieuwste ontwikkelingen in de bouwkunst las Job Hansen onder andere het avant-gardistische tijdschrift De Stijl. Zijn eerste eigen bouwproject bestond uit twee woningen in Leiden, waarin zijn belangstelling voor De Stijl tot uitdrukking kwam. In 1930 ontwierp hij een woonhuis voor Ekke Kleima in Warffum. Zijn meeste bouwkundige projecten realiseerde Hansen voor de Tweede Wereldoorlog.

  • Job Hansen - Paterswoldse meer. Collectie Stichting De Ploeg
  • Job Hansen - Blauwborgje. Collectie Stichting De Ploeg

In 1923 sloot Hansen zich aan bij Kunstkring De Ploeg. Hij behoorde weliswaar tot de niet-schilderende leden, maar zijn grote kennis van en belangstelling voor moderne schilderkunst gaven hem binnen de groep al snel een eigen positie. Hij schreef verschillende pamflettistische teksten voor Ploegcatalogi en werkte in 1923 mee aan het avant-gardistische tijdschrift The Next Call van Hendrik Werkman. In 1924 verscheen de Ploeguitgave Teekeningen gedrukt door Werkman met daarin tekeningen van Jan Wiegers, Jan Altink en Hendrik Werkman en teksten van Job Hansen. Hansen In zijn kenmerkende, pregnant schrijfstijl schetst hij de artistieke sfeer in Groningen, gaat hij in op het creatieve, persoonlijke karakter van de tekening en geeft hij aan de hand van de tekeningen zijn visie op het kunstenaarschap van Wiegers, Altink en Werkman.

In 1924 vormde Hansen met Siemon Steenmeijer de toelatingscommissie van de jaarlijkse Ploegtentoonstelling in de zalen van Pictura te Groningen. Het waagstuk van de jury om uitsluitend werk te selecteren van modernisten binnen de vereniging resulteerde – achteraf beschouwd – in de belangrijkste en meest uitgesproken expositie in de geschiedenis van De Ploeg, maar leidde ook tot heftige interne conflicten. De bestuurlijke onwil om de vereniging om te buigen in modernistische richting, deed Job Hansen besluiten De Ploeg in 1925 te verlaten.

Toen Evert van Linge door het uitblijven van opdrachten in 1927 genoodzaakt was Job Hansen eervol ontslag te verlenen, besloot Hansen zich te richten op zijn eerste liefde: schilderen. Samen met Jan Altink trok hij er dat jaar bijna dagelijks op uit om in de landelijke omgeving tussen het Reitdiep en het Boterdiep in de open lucht te schilderen. Geïnspireerd door de impressionistische techniek die Altink in die periode hanteerde, bediende Hansen zich van sterk met benzine verdunde olieverven en een palet van atmosferische kleurschakeringen. Bijna onmiddellijk ontwikkelde hij een visie en werkwijze die zijn werk sterk deed onderscheiden van dat van Altink en andere Groninger collega’s. In tegenstelling tot hen bracht Hansen zijn verven niet aan op absorberende ondergronden, maar op wit beschilderd triplex, dat elke verfstreek uiteen deed vloeien in transparante wolken van kleur. Vanwege de sterke overeenkomsten met aquarel werd deze techniek ‘benzinerel’ genoemd. Hansen hanteerde de benzinereltechniek vooral in de periode 1929-1933. Daarna zou hij haar in combinatie met onverdunde olieverf gebruiken.

Schilderde Hansen aanvankelijk in de vrije natuur, nadat hij in 1933 met zijn gezin verhuisde naar de Grachtstraat werkte hij steeds vaker in atelier. De zolderkamer op de eerste verdieping van het kleine woonhuis, liet hij verbouwen tot een atelierruimte met open zicht op het Noorderplantsoen. Vanuit die ruimte schilderde hij, onder steeds wisselende weersomstandigheden, met grote regelmaat het uitzicht over het park, de grachtvijver en de aangrenzende huizen. In 1934 werd hij opnieuw lid van De Ploeg. Ofschoon Hansen zich in de jaren dertig ontwikkelde van plein-airschilder tot atelierschilder, bleef de visuele observatie uitgangspunt in zijn werk en liet hij zich, net als daarvoor, inspireren door impressies, of beter sensaties, van licht en kleur. 

Na de Tweede Wereldoorlog sloot Hansen zich niet weer aan bij De Ploeg. In de eerste jaren na de oorlog werd hij vooral in beslag genomen door de zorg voor Werkmans gezin en diens nalatenschap. Zijn nauwe betrokkenheid met Werkmans kunst, bracht hem in contact met Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum, die zijn werk zeer waardeerde.

In de jaren vijftig vond de experimentele schilderkunst van Hansen bijna vanzelfsprekend aansluiting bij de moderne richtingen die vrijheid van beeldende middelen verkondigden. Zijn kleurgebruik werd krachtiger, zijn vormentaal schetsmatiger en zijn techniek expressiever, maar hoezeer zijn werk ook opschoof in de richting van een lyrisch, figuratief expressionisme, het bleef ook in die jaren impressionistisch van inslag.

 Een belangrijke doorbraak betekende de grote tentoonstelling die Willem Sandberg in 1953 van zijn werk samenstelde in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Hansens werk was vervolgens vertegenwoordigd op vele belangrijke tentoonstellingen van moderne schilderkunst en vond niet alleen in Sandberg, maar ook in Jos de Gruyter, directeur van het Groninger Museum en Hans Paalman, directeur van het Stedelijk Museum te Schiedam warme pleitbezorgers. In 1956 exposeerde hij in het Prinsenhof te Delft op een tentoonstelling van moderne kunst. In datzelfde jaar nam hij deel aan de tentoonstelling ’35 jaar moderne kunst in Groningen’ in het Groninger Museum, georganiseerd door Jos de Gruyter. In 1957 was zijn werk voor het eerst in het buitenland te zien, in Krefeld. In 1960 nam Hansen deel aan een prijsvraag voor de schilderkunst van de Europese Gemeenschap en verwierf hij een eervolle vermelding. Aan de deelname was de door Europa reizende tentoonstelling Pix de Marzotto verbonden met exposities in Valdagno, Milaan, Brussel, München en Parijs. Kort nadien overleed Job Hansen. Na zijn dood werden grote tentoonstellingen van zijn werk georganiseerd in het Stedelijk Museum te Schiedam (1960), het Groninger Museum (1960, 1989, 1997), De Beijerd te Breda (1998) en Museum Belvédère te Heerenveen (2008). 

Tekst: Han Steenbruggen
Literatuur: Cees Hofsteenge, De Ploeg 1918-1941, De hoogtijdagen. Groningen: Benjamin & Partners 1993, pp. 98-106; Henk van Os, Job Hansen. Avantgardistisch schilder, architekt en pamflettist in Groningen. Groningen: Wolters-Noordhoff / Forsten 1989; Han Steenbruggen (red.), Job Hansen - door de wind getekend, door het licht gekleurd, catalogus bij de tentoonstelling 28 september - 19 november 1997. Groningen: Groninger Museum 1997; Han Steenbruggen, 'Grachtstraat 42', Afslag Noord, no. 2, 1997, p. 3-7. Han Steenbruggen, Grachtstraat 42. Het klein schildersobservatorium van Job Hansen, Heerenveen: Museum Belvédère, 2008; Adriaan Venema, De Ploeg 1918-1930, Baarn: Het Wereldvenster 1978, pp. 163-166, 250, 251.