Job Hansen

Jan Altink

Naast de duelportretten bevat de groeiende verzameling Ploeg-werk van het Groninger Museum ook op zichzelf staande portretten. Opvallend is dat Job Hansen, hier geschilderd door Jan Altink, zich nooit op portretten heeft toegelegd. In dit geschilderd portret van Hansen uit 1927 hanteert AItink een voor zijn doen meer extraverte wijze van schilderen. De landschappen uit die tijd, veelal in heldere kleuren, laten eveneens zo'n losse toets zien. Het portret uit 1927 is een portret in de open lucht. Met toegeknepen ogen en een pijp in zijn mond kijkt Hansen tegen de zon in, zittend in het hoog opschietende gras. De kleurigheid van het doek en de springerige wijze van schilderen zijn hier middelen om het vrolijke karakter van een zonnige dag in de buitenlucht weer te geven. De typische stijl van Altink is echter eerder te herkennen in het portret dat hij enkele jaren eerder maakte van Hansen, omstreeks 1922. Hoe ziet dit schilderij er uit?

  • Jan Altink (1885 – 1971), Job Hansen, 1927, Olieverf op doek, Verworven met steun van de Vereniging Rembrandt

Typisch Altink
In het portret uit 1927 is Hansen afgebeeld in een rood-bruin huisjasje, zittend aan een tafel, met een boek voor zich. De weinig gearticuleerde achtergrond vormt hiermee een sterk contrast door de kleurschakeringen in overwegend rood en geel. De figuur is beeldvullend voorgesteld;  de rechterelleboog en de linkerarm worden door de lijst oversneden, terwijl zijn haardos de bovenrand raakt. Dit portret is typerend voor de stijl van Altink. e stijl van het portret uit 1922-1923. De losheid van toets blijft.

  • Jan Altink (1885 – 1971), Job Hansen, ca. 1922, Olieverf op doek, Schenking Vrienden van het Groninger Museum

Typerend voor Altink is dat het schilderij in kleurvlakken is opgezet. Binnen deze vaste vormen heeft hij een losse toets gehanteerd, zoals te zien is bij  de op tafel liggende hand. De vrije schilderwijze toont dat Altink niet ongevoelig is gebleven voor het expressionisme, waarmee Wiegers hem in aanraking had gebracht,  na zijn terugkeer uit Zwitserland  in 1921. Altink past het echter op een voor hem kenmerkende, gematigde wijze toe, die in sommige opzichten eerder aan de wolkige manier van schilderen van Der Blaue Reiter doet denken, dan aan de hardere en meer grafische werkwijze van Ernst Ludwig Kirchner. In dit verband is het veelbetekenend dat hij voor handen en gezichten bijna altijd van de natuurlijke vleeskleur is blijven uitgaan.