Moderne kunst 1900-1980

Met het aantreden in 1955 van Jos de Gruyter als directeur van het Groninger Museum werd een begin gemaakt met het verzamelen van moderne kunst. De Gruyter richtte zich in eerste instantie op aankopen en exposeren van het zeer expressieve werk dat in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was gemaakt door kunstenaars van de Groninger vereniging De Ploeg. Om dit werk in de context van het internationale expressionisme te kunnen plaatsen, kocht De Gruyter een aantal werken van onder meer de Duitse expressionisten Ernst Ludwig Kirchner, Karl Schmidt-Rotlluf en Paula Modersohn-Becker.

Van belangrijke Nederlandse expressionisten als Charley Toorop en Herman Kruyder werden meerdere schilderijen verworven, naast incidentele werken van Henk Chabot en de Belgische expressionisten Frits van den Berghe en Jakob Smits.

  • Charley Toorop - Zelfportret met drie kinderen
  • Herman Kruyder - Tuin met hond en zonnebloemen
  • Piet Ouborg - Compositie met zwart ovaal
  • Reinier Lucassen - De Sphinx
  • Peter Struycken - Wetmatige beweging van vorm en kleur

Wat betreft de naoorlogse kunst had De Gruyter een voorkeur voor wat als ‘lyrische abstractie’ zou kunnen worden omschreven, waartoe onder meer Pieter Ouborg en Jaap Nanninga behoorden

De opvolger van Jos de Gruyter, Bram Westers, zette het beleid op het gebied van moderne kunst voort. Om ook de naoorlogse variant van het expressionisme te kunnen tonen, verwierf Westers onder meer werken van de Cobra-schilders Karel Appel, Corneille en Anton Rooskens.

Wat betreft de ontwikkelingen in de kunst van de jaren zestig werd een accent gelegd op de ‘Nieuwe Figuratie’ van onder meer Reinier Lucassen en Roger Raveel, waarin figuratieve en abstracte elementen werden samengevoegd, vaak met een ironische of humoristische ondertoon. De andere actuele stroming waaraan aandacht werd besteed was de zogenaamde systematische abstractie van onder meer P. Struycken, Bonies en Ad Dekkers. Met name van Struycken heeft het Groninger Museum in de loop van de afgelopen decennia een grote verzameling opgebouwd.

De eerste aanzetten tot een meer internationaal aankoopbeleid werden ingezet met het verzamelen van kunstenaarsboeken. Na de komst van Frans Haks als nieuwe directeur in 1978 zou het beleid zich vooral gaan richten op jonge internationale kunst, en werd een grote collectie zogenaamde postmodernistische kunst en design opgebouwd.