Siep van den Berg (1913-1998) en Gerrit Benner (1887-1981). Nieuwe aanwinsten

Mariëtta Jansen - Groninger Museummagazine jaargang 23, nr. 2, 2010

Dankzij een financiële ondersteuning van de Stichting Vrienden heeft het Groninger Museum vroeg werk van Gerrit Benner en Siep van den Berg kunnen verwerven. De collectie werpt een bijzonder licht op de schilderkunstige relatie tussen genoemde kunstenaars. Aangekocht werd een serie werken op papier uit een nalatenschap van voormalige eigenaren van Hotel de Doelen in Groningen. Ondermeer twee vroege pasteltekeningen uit 1944 van Benner en Van den Berg (afb. 1 en 2), die naar het zich laat aanzien gelijktijdig tot stand zijn gekomen. Hoewel deze tekeningen niet direct gezien kunnen worden als exemplarisch binnen het oeuvre van de kunstenaars verkrijgen ze meerwaarde omdat Hendrik Nicolaas Werkman in zijn briefwisselingen meerdere malen schreef over het aankomende kunstenaarschap van zijn schoonzoon Siep van den Berg. Laatstgenoemde speelde niet alleen een belangrijke rol in het naoorlogse noordelijke kunstklimaat maar wees Gerrit Benner bovendien al vroeg op het belang van het werk van Hendrik Nicolaas Werkman.

  • Gerrit Benner - Noorderplantsoen Groningen
  • Siep van den Berg - Zonder Titel

Schoonvader over schoonzoon: ontluikend kunstenaarschap
‘ Vorige week’, zo schreef Hendrik Nicolaas Werkman op 21 juli 1943 ’is mijn jongste dochter (Fie Werkman /mj) getrouwd met een schilder, een jongeman die reeds lang op de schoolbanken niets anders in ’t hoofd had dan tekenen en schilder moest worden natuurlijk ten koste van velerlei en ondanks de nodige tegenwerking. Het moet gezegd dat hij zeer zelfstandig, en zeer enthousiast is, bij het overmoedige af. Maar het is prachtig iemand eens van heel nabij te kunnen aanschouwen en aan te hooren. Hij is van Friesche afkomst en zeer levendig van natuur. (…) Hij werkt naar de natuur, landschap en figuur en portret alles kleurig en luchtig. Aan het werk is te zien dat hij nog heel wat voor de boeg heeft voordat er meesterwerken ontstaan. Er is toch iets heel eigens in, iets krachtigs en iets compleets dat wel aantrekt. Ze wonen in een koepel aan de Heereweg, met een groote oude tuin erbij waar het genoeglijk is te zitten onder oude beuken.’ Deze jongeman was Siebren Ritzen van den Berg, die al jong over tekentalent bleek te beschikken. Zijn vader was echter van mening dat hij een vak moest leren en zo werd Van den Berg eerst huisschilder in Groningen. Gedurende de periode 1930–1933 volgde hij een avondopleiding aan de Academie Minerva. In de tweede helft van de jaren dertig hield van den Berg zich voornamelijk bezig met reclamewerk. Samen met de uit Duitsland gevluchte Oskar Gubitz had hij een reclamebureau genaamd

De Sleutel. In deze periode leert Siep van den Berg ook Gerrit Benner kennen. Naar blijkt vormden Benner, Van den Berg en Gubitz samen een artistiek clubje en tekenden zij wel eens gezamenlijk. Rond 1935 werd het werk van Siep van den Berg opgemerkt door Hendrik Nicolaas Werkman die hem uitnodigde op zijn atelier. Hoewel Van den Berg niets van de kunstenaars van De Ploeg moest hebben, ontstond er met Werkman een contact dat van grote betekenis voor hem was. Op zijn beurt bracht Van den Berg Benner in contact met het werk van Werkman. Rond 1939 legde Van den Berg zich volledig toe op het kunstenaarschap. Hij huurde het negentiende-eeuwse theekoepeltje aan de Hereweg en gebruikte dat jarenlang als atelier. Aanvankelijk schilderde hij voornamelijk Cézanne -achtige landschappen en portretten om zich na 1948 met zijn beelden en schilderijen te ontwikkelen tot een constructivistische avant-gardist.

“Artiesten is moeilijk volk”
In de briefwisseling tussen Hendrik Nicolaas Werkman en de predikant August Henkels zoals te lezen in de uitgave Brieven rond de Blauwe Schuit 1940-1945 staan meerdere interessante observaties over het werk van Siep van den Berg, dat ontstond gedurende de Tweede Wereldoorlog. Zo schrijft Henkels op 30 maart 1944 aan zijn vriend Werkman: “M’n trein bleek de andere morgen pas om ¼ 12 te gaan en ik was al om ½ 10 aan ’t station, zoodat ik de stad nog even in kon. Daarbij heb ik Siep getroffen die net zijn atelier zou binnen gaan. Zoo had ik de gelegenheid om daar en ook nog in de koepel z’n werk te zien. Wat is dat veel belovend zeg. De man zelf is ook zo’n frissche aardige kerel die gelukkig heelmaal niet artiesterig doet. Ik zag enkele bloemstukken die veel beter waren dan het laatste van Jan Wiegers. Over enkele jaren mag men zeer belangrijk werk van deze jonge man verwachten.” Werkman antwoordde Henkels op 4 april 1944: ”Je bezoek aan de koepel is je dus nogal meegevallen. Siep is vooral de laatste tijd hard vooruit gegaan. Zijn bloemstillevens worden steeds beter. Eerst waren ze al te bont maar ze worden nu rustiger en meer op een geheel afgestemd. Hij is nog erg ongelijk- zoals ieder trouwens- maar ik geloof ook dat hij iets worden zal. Artiesten is moeilijk volk. Soms voeren ze geen klap uit, weken achtereen, om dan weer met de tijd te woekeren. Er wordt over het algemeen druk geschilderd.”

In de navolgende periode laat Werkman zich allengs enthousiaster uit over het werk van zijn schoonzoon zoals blijkt uit de volgende twee brieven. Op 1 mei van dat zelfde jaar schrijft hij aan Henkels: “Siep maakt tegenwoordig heel goede pastel-teekeningen, prachtige kleuren zijn daarbij. Jammer dat je ze moet fixeeren, er gaat dan zooveel verloren van de kleur, of je moet ze dadelijk achter glas zetten- en glas is er niet meer te krijgen. En op 9 mei: “Ik heb nog een doos pastels onaangebroken staan waarmee ik noodig eens een proef moet nemen. Siep heeft er eenige heel mooie gemaakt. Dat schijnt hem wel te liggen en hij kan dicht bij huis blijven want in de koepeltuin is het mooi beschut en de vruchtboomen staan in bloei. Er zijn van die fantastische luchten tegen zonsondergang. Dat alles leent zich uitstekend voor pastel.” Juist deze laatste brief werpt enig licht op de nu teruggevonden pasteltekeningen uit 1944 van Benner en Van Den Berg en het lijkt niet onwaarschijnlijk dat beide kunstenaars in de tuin van het koepeltje aan de Hereweg gelijktijdig hebben zitten werken. Fraai zijn ook de andere twee vroege Benners die aangekocht konden worden. Een portretje van Siep van den Berg van de hand van Benner (afb.3) en een pasteltekening van het Noorderplantsoen in Groningen. (afb.4) Het zijn werken die een aanzet kunnen zijn om tot meer onderzoek te komen over de interessante “driehoeksverhouding“ Werkman, Benner en Van den Berg.

Mariëtta Jansen