Tentoonstelling

Jan Jordens en tijdgenoten

18 februari 2006 t/m 17 september 2006

Uitgangspunt van de tentoonstelling Jan Jordens en tijdgenoten - Lyrisch abstracte kunst 1948-1962 is het late, abstracte werk van Jan Jordens (1883-1962).

Van 1918 tot aan 1950 maakte hij met onderbrekingen deel uit van kunstenaarskring De Ploeg. In 1950 richtte hij met zes andere Groninger kunstenaars, onder wie Jan Altink, Ekke Kleima en Jan van der Zee, de schildersgroep Het Narrenschip op. In 1960, toen hij de zeventig al ruim gepasseerd was, trad hij toe tot de Kunstenaarsgroep Nu, die voornamelijk uit jongere kunstenaars bestond. Voor hen vormde het eigentijdse werk van Jordens een bron van inspiratie.

In tegenstelling tot Ploegschilders als Jan Wiegers en Johan Dijkstra liet Jordens zich eerder beïnvloeden door de Hollandse en Franse schilderkunst dan door het Duits Expressionisme. Daardoor nam zijn werk vanaf het begin een aparte plaats in binnen de Groninger moderne kunst. In de vooroorlogse jaren maakte hij een ontwikkeling door die verliep van een gematigd expressionistische stijl naar een aan Picasso en Braque gerelateerd gematigd kubisme. Na zijn pensionering als docent tekenen in 1948 kwam zijn werk tot volledige ontplooiing en wist hij aansluiting te vinden bij lyrisch abstracte vormen van schilderkunst uit binnen- en buitenland. De vrijmoedige manier waarop hij putte uit de verworvenheden van geestverwanten, belette niet dat hij een uiterst persoonlijke stijl ontwikkelde. Zijn abstract-expressionistische schilderijen uit de jaren vijftig en vroege jaren zestig tonen zijn sterke hang naar vorm en de voortdurende wil deze te doorbreken. Ze kenmerken zich door een doorwerkte verfhuid, waarbij soms het schilderproces belangrijker schijnt dan het uiteindelijke resultaat.

In de tentoonstelling werd zijn werk getoond naast dat van generatie- en oud-Ploeggenoten Wobbe Alkema, Job Hansen, Hendrik Werkman en Jan van der Zee; in Holland verkerende kunstenaars Gerrit Benner, Willem Hussem, Jaap Nanninga en Piet Ouborg; schilders van de École de Paris Jean Bazaine, Roger Bissière, Alfred Manessier, Serge Poliakoff en Nicolas de Staëll; en ten slotte dat van jongere Groningse kunstenaars Jo van Dijk, Jan Loman, Ruloff Manuputty, Martin Tissing, Fie Werkman en Henri de Wolf. De tentoonstelling wilde daarmee aantonen dat het werk van Jordens in gebed was binnen en een wezenlijk aspect vormde van het Groninger modernisme, hoezeer het raakvlakken vertoonde met het werk van tijdgenoten buiten Groningen en onderdeel was van de stroom van West-Europese abstractexpressionistische schilderkunst.