Naar hoofdinhoud

Gebouw

Welkom in het Groninger Museum

Groninger Museum
Groninger Museum © Ralph Richter

Het Groninger Museum is een van de grotere musea in het noorden van Nederland. Het beheert een veelzijdige verzameling bijzondere schatten van de steentijd tot nu. Maar wat het eerst opvalt is het gebouw zelf. Dat alleen al is een bezoek waard.

Het Groninger Museum is opgericht in 1874. Het oude gebouw aan de Praediniussingel voldeed na 100 jaar niet meer aan de museale eisen van de tijd. Een schenking in 1987 van de Nederlandse Gasunie aan de gemeente Groningen, maakte het mogelijk om een compleet nieuw gebouw te bouwen. In 1994 werd het nieuwe Groninger Museum geopend door koningin Beatrix.

De toenmalige museumdirecteur Frans Haks (1938-2006) koos voor de Italiaanse ontwerper Alessandro Mendini. Haks presenteerde in 1988 een overzichtstentoonstelling van Mendini’s werk om het publiek en de politici van de stad en provincie Groningen te overtuigen van zijn artistieke kwaliteiten en veelzijdigheid. De samenwerking van Haks en Mendini verliep zo goed dat ze beiden haast als een artistieke tweeling beschouwd werden.

Sinds 1994 stelt het Groninger Museum kunst tentoon in een postmodern gebouw, al was in 2010 het museum een aantal maanden dicht. In die periode werd gewerkt aan de revitalisering van het gebouw. Zowel de binnen- als buitenkant van het museumgebouw zijn toen opnieuw aangepakt. Sindsdien kent het gebouw weer de glans van haar oorspronkelijke staat.

Verschillende designers hebben bijgedragen aan het verbeterde gebouw. Dit waren Studio Job, Maarten Baas, de Spaanse Jaime Hayon en Allessandro Mendini. Sinds de revitalisatie kent het museum dan ook vernieuwde ruimtes. De ‘Job Lounge’, een ontvangstruimte, een nieuw restaurant en een innovatief informatiecentrum zijn zeker een bezoekje waard.

Video: Revitalization Groninger Museum - The Final Part

Entreehal, ontwerp door Alessandro Mendini
Entreehal, ontwerp door Alessandro Mendini

Het ontwerp

Alessandro Mendini kijkt over alle grenzen heen en ontkent traditionele rangordes. Bijvoorbeeld dat schilderkunst verheven is boven toegepaste kunst. Een hiërarchie is er niet: alle kunsthistorische stijlen zijn voor hem even belangrijk en kunnen met elkaar vermengd worden waardoor een nieuw geheel ontstaat. Dit is een typisch kenmerk van het 20e-eeuwse postmodernisme.

Mendini deelde de mening dat alles al eens een keer verzonnen en gemaakt is. Verschillende stijlen in de schilderkunst zijn voor hem een rijke inspiratiebron, zoals het impressionisme, het kubisme en het futurisme. Voor het museum bewerkte hij bijvoorbeeld een deurklink van Walter Gropius (Bauhaus), als voorbeeld van functionalisme en nieuwe zakelijkheid. Hier voegde hij vervolgens een terrazzo-motief aan toe; een typisch Italiaans product van inlegwerk voor vloeren.

Mendini beschouwt het aanbrengen van versieringen als iets dat diep geworteld is in de mens. In tegenstelling tot de onpersoonlijke massaproducten van de functionalisten, wil hij juist door decoratie benadrukken dat alles en ieder¬een individueel anders kan zijn. Bij het museumgebouw zijn de vrolijk gekleurde tegels op de buitenkant en de mozaïeken bij de entree en de trap opvallende voorbeelden van deze sierdrang.

Mendini’s opvattingen leiden haast vanzelf tot praktische samenwerkingen met andere kunstenaars, vormgevers en architecten. Ook omdat hij graag met verschillende disciplines en technieken werkt, die hij zelf niet allemaal beheerst. Een belangrijke drijfveer van hem is het begeleiden en ontdekken van jong talent. In Atelier Mendini stuurde hij architecten en ontwerpers aan, die horloges ontwierpen voor Swatch, huishoudelijke producten voor Alessi maar ook theatervoorstellingen, modeshows en videoclips.

Voor het Groninger Museum nodigde Mendini drie gastarchitecten uit om “eigen” paviljoens te ontwerpen: de Italiaanse vormgever Michele de Lucchi, Philippe Starck uit Parijs en Coop Himmelb(l)au uit Wenen. Mendini werkte ook met Nederlandse architecten en vormgevers zoals het Groningse architectenbureau Team 4, Albert Geertjes en Geert Koster. Bij de revitalisatie in 2010 trok het Groninger Museum nog eens drie jonge topontwerpers aan, uiteraard na goedvinden van Mendini. Nederlandse designers Maarten Baas en Studio Job en Spanjaard Jaime Hayon richtten drie nieuwe ruimten in voor het museum: het MendiniRestaurant, de Job Lounge en het Info Center.

Het ontwerp van het Groninger Museum ziet eruit als een langwerpig eiland, dat bestaat uit drie grote volumes in het water, verbonden door gangen en pleintjes. Door de eisen van de gemeente Groningen tot transparantie voor het doorzicht van de singelbewoners en ruimte voor de schepen in het kanaal, moest het centrale paviljoen lang uitgestrekt worden en opgedeeld in kleine bouwgedeelten. Daarnaast moest de loopbrug, met ophaalgedeelte voor de scheepvaart, geïntegreerd worden in het museum.

Groninger Museum goudkleurige toren
Groninger Museum goudkleurige toren

De goudkleurige toren

Het middendeel van het gebouw is geheel ontworpen door Alessandro Mendini. Dit vormt het hart van het totale museum. Hier is de entree, waar iedere bezoeker in- en uitgaat. Hier zijn de publieksvoorzieningen, zoals de museumwinkel en het café. Beneden bevinden zich algemene museale ruimtes, zoals een auditorium, een kinderatelier, het Info Center en een ontvangstruimte, de Job Lounge; kortom functies die niet direct gericht zijn op het tentoonstellen van voorwerpen.

In dit middendeel staat de goudkleurige toren centraal. Boven op de toren wappert een vlag, dit is meestal een ontwerp van Mendini, soms van één van de gastarchitecten.

De goudkleurige toren heeft geen ramen en is niet toegankelijk voor het publiek; dit komt omdat Mendini deze oorspronkelijk bedacht heeft als depot. Dit depot plaatste hij bewust in het midden van het museum, zodat het prominent zichtbaar is. Meestal bevindt een depot zich in een museum achter het gebouw of in een kelder, zoveel mogelijk uit het zicht. Mendini maakt er juist een symbool van waar je niet om heen kunt. De kleur van het bekledingsmateriaal van laminaat, een geperste kunststof, is speciaal voor het museum ontwikkeld door Abet, en verwijst naar schatten in het binnenste. De toren is al van veraf zichtbaar. Hierdoor is het museum als het ware een moderne kathedraal vol met kunst en daar hoort een hoge toren bij.

De buitenkant van de paviljoens van Mendini zijn bekleed met het zogenaamde Proust-motief. Mendini paste dit voor het eerst toe in zijn “Stoel voor Proust” uit 1979. Deze stoel was een redesign van een neobarokke fauteuil uit de negentiende eeuw. Bij het ontwerp dacht Mendini aan de Franse schrijver Marcel Proust, van wie bekend was dat hij een schilderij van de Franse pointillistische schilder Paul Signac aan de wand had hangen. Mendini nam een deel van een Signac schilderij, vergrootte het uit, projecteerde het op de stoel en schilderde het na.

Naast decoratiemotieven zijn kleuren een belangrijk middel voor Mendini om verschillende sferen te creëren. In de niet-tentoonstellingsdelen, zoals de entreehal boven en beneden en de gangen, gebruikt hij zachte zalmachtige kleuren, om zo een vriendelijke uitstraling te bewerkstelligen. Deze kleuren liggen dicht bij de menselijke huid. In het auditorium worden roodachtige tinten gebruikt.

In de tentoonstellingszalen van het museum worden verschillende kleuren gebruikt. Dit zijn soms kleuren uit een pallet van Mendini en kunnen een andere keer kleuren zijn uit een pallet dat de Nederlandse kunstenaar Peter Struycken heeft ontworpen. Maar ook worden voor bepaalde wisselende tentoonstellingen kleuren toegepast uit andere palletten.

Eenmaal binnen is het eerste wat opvalt het kunstwerk dat François Morellet speciaal voor de hal ontwierp. De halve ovalen, getiteld Borsten, wolken en meeuwen, nemen ook de ovale vorm van de piazza’s en de luifel boven de ingang over.

De trap is niet alleen functioneel, maar een kunstwerk op zich. De bekleding van de trap bestaat uit mozaïeksteentjes, die grotendeels met de hand zijn aangebracht door vakmensen van het Italiaanse bedrijf Bisazza. Mendini wilde de trap bewust als idee gebruiken. In traditionele museumgebouwen gaan de bezoekers meestal met de trap naar boven. De achterliggende gedachte hierbij is dat kunst verheven is boven het alledaagse. Mendini draait dit om: je moet juist naar beneden gaan om de kunst op waterniveau te bekijken.

De wenteltrap is ontworpen door hoofdarchitect Alessandro Mendini. Onderaan de trap een pilaar met een kristallen bol, vol met kleuren die oplichten in het voorbijgaan. De bol suggereert dat er vele ontdekkingen in het kleurige museum te doen zijn. Het is het grootste kristallen voorwerp ooit gemaakt door de bekende firma Swarovski naar een ontwerp van Mendini en vormt het middelpunt van het gebouw.

De gangen die de museumpaviljoens met elkaar verbinden hebben halfronde nissen, met uitzicht op het water en de omgeving. Ze hebben een middeleeuws karakter en lijken op gangen in kerken of kloosters. De gangen zijn noodzakelijk vanwege de langgerekte vorm van het museum, om zo van het ene naar het andere paviljoen te lopen. De ovale zalen zijn bewuste doorbrekingen van deze lange gangen, omdat Mendini ze als integraal onderdeel van de museumsfeer beschouwt en niet op saaie doorloopgangen van metro of kantoorgebouw wilde laten lijken.

Eén van deze ovale zalen doorbreekt de gang die naar de paviljoens van gastarchitecten De Lucchi en Starck leidt. De vorm is dezelfde als die van de luifel boven de entree en het lichtkunstwerk in de entreehal. Aan de andere kant van de trap, in de richting van de Mendini-paviljoens, is ook zo’n ovale zaal, maar dan in de lengterichting.

Deze rondgang begint in westelijke richting, met de rug naar de wenteltrap, en dan naar rechts.

Architecten en ontwerpers

Hoofdarchitect van het Groninger Museum Alessandro Mendini werd geboren in 1931 en is een veelzijdig man. Hij studeerde architectuur aan de Technische Hogeschool in Milaan en naast architect is hij ook designer, kunstenaar theoreticus en dichter. Na zijn studie werd Mendini hoofdredacteur van enkele vaktijdschriften, daarin gaf hij zijn ideeën over kunst en architectuur weer. In 1977 werd Mendini lid van Alchimia; Een avant-gardistische ontwerpersgroep.

Het Groninger Museum zocht naar een architect voor een nieuw gebouw, na een grote schenking in 1994. Een tentoonstelling van Mendini’s werk werd in 1988 gepresenteerd. Daarin kwam zijn veelzijdigheid goed naar voren en het publiek werd overtuigd van Mendini’s kunnen. Mendini werd hoofdarchitect van het nieuwe museumgebouw.

Decoratief hart
Mendini zag het ontwerpen van het nieuwe gebouw als een chirugische operatie. Daarbij zou het museumgebouw het nieuwe hart van Groningen worden. Een nieuw decoratief kunsthart, dat afwijkt van de omgeving, dat later als de motor van de stad zou worden.

In 2010 werd het museumgebouw gerevitaliseerd. Ook daarbij was Mendini betrokken. Om het gebouw beter tot zijn recht te laten komen, werden nieuwe accenten door onder andere Mendini zelf toegevoegd. Oude accenten zijn opgefrist waardoor het museum nog lange tijd zal zijn zoals de architecten in 1994 voor ogen hadden.

De Italiaanse gastarchitect Michele de Lucchi ontwierp het paviljoen voor archeologie en geschiedenis van Groningen als een vesting van baksteen. Zo verwijst het bouwwerk als geheel naar de historie van de stad. Op deze plek lagen namelijk vestingwerken die vanaf de zeventiende eeuw een belangrijke rol speelden in de geschiedenis.

Vandaag de dag zijn in deze zalen delen van de vaste collectie van het museum te zien. Beeltenissen van beroemde Groningers, zilver, meesterwerken uit de schilderijencollectie, moderne en postmoderne kunst en vormgeving. In de centrale zalen hangen werken van de Groningse kunstenaarsgroep De Ploeg en het verwante Noord-Europees expressionisme.

De Franse ontwerper Philippe Starck ontwierp een paviljoen voor kunstnijverheid. Het ligt boven het De Lucchi Paviljoen. Starck werd bij de praktische uitvoering ondersteund door de Groninger ontwerper Albert Geertjes. Het gebouw omvat een veelvoud aan symbolische verwijzingen. De ronde vorm moet een schaal op een pottenbakkerswiel voorstellen, de scheuren in de vloeren en wanden zijn uitvergroot craquelé van aardewerk. De kleur grijs verwijst naar klei, waarvan aardewerk gemaakt wordt.

Het paviljoen heeft langs de ronde wand een doorlopende wandvitrine. Als een verwijzing naar de schommelende beweging van een schaal op een pottenbakkerswiel, is deze vitrine niet overal even diep. De ronde ruimte van Starck wordt op een labyrintachtige wijze onderverdeeld door doorzichtige witte vitrages. Zo ontstaat het idee en de sfeer van een ontdekkingsreis in een sprookjesachtige wereld. Het geheel is niet in één keer te overzien en door de transparantie worden tipjes van de sluier opgelicht.

De vitrines in het middengedeelte hebben de vorm van ijsblokjes. IJs staat voor de ideale manier van conserveren. Centraal in de ruimte bevindt zich een grote wereldbol van glas, ook door Starck zelf ontworpen. Hierop zijn de handelsroutes van de Verenigde Oost-Indische Compagnie vanuit Nederland naar Batavia en het Verre Oosten uitgezet. Tot de handelswaar van de VOC behoorde naast thee en zijde ook veel porselein, afkomstig uit China en later ook Japan. China maakte dit op bestelling voor de Nederlandse markt. Later werd dit blauwwitte Chinese porselein nagemaakt in aardewerk in Delft.

Het Info Center is te bereiken via de westelijke ovale zaal en is gerealiseerd in het kader van de revitalisatie in 2010 naar ontwerpen van Jaime Hayon. Een echte blikvanger is de grote spiegel aan het plafond, die het omliggende water weerkaatst. Hierdoor is de ruimte erg licht, wat prettig werkt in een educatieve omgeving.

In de ruimte staat een tafel met meerdere armen, een multitouchscherm en diverse beeldschermen met programma’s over de collectie. Hayon zelf noemt het een ruimte voor onderzoek en verdieping van opgedane kennis. De bezoeker kan zich ongestoord terugtrekken in zijn eigen hightech informatiecocon. Hoewel dat niet meteen opvalt zijn bezoekers via de tafel ook nog verbonden met andere gebruikers. De tafel is uitgevoerd in ronde, organische vormen en zonder hoeken waar mensen zich aan zouden kunnen bezeren. Het is een schitterend staaltje houtbewerking en de tientallen kabels zijn weggewerkt in het inwendige van de tafel. De keramische sculpturen van de ontwerper creëren een verbinding met de Job Lounge aan de overkant van het ovaal. In 2014 werd het ontwerp door Jaime Hayon aangevuld met een plek voor speelse activiteiten in het midden van het Info Center en een atelier dat daarop aansluit.

De Job Lounge ligt recht tegenover het Info Center. Studio Job, bestaande uit Job Smeets en Nynke Tynagel, heeft hiervoor de inrichting ontworpen. Het ontwerpduo was al ruim vertegenwoordigd in de collectie van het museum en wordt sinds 2001 door het museum gesteund en gevolgd. Studio Job liet zich voor deze ruimte inspireren door 19e eeuwse besloten clubs met houten vloeren en kroonluchters. Ter inspiratie maakten zij een serie oriënterende reizen langs de vergane glorie van klassieke hotels, bars en kroegen. De Job Lounge is een ironische verwerking van een wereld die verloren is gegaan.

De verschillende ontwerpen, materialen en productietechnieken in de ruimte zijn citaten uit het imposante eigen werk van Studio Job: gegoten brons, gebrandschilderde afbeeldingen in glas in lood, keramiek, marquetry, papier maché, geroest ijzer, geweven textiel en kostbaar Venini glas. Alles is met groot vakmanschap uitgevoerd en oogt deftig. Maar de kasteelstoelen zijn van plastic, de dikke gordijnen zijn niets meer dan een print op fotografisch materiaal en de lampen hebben een vorm van glazen ‘tieten’. Centraal in de ruimte staat een geroeste pilaar die geïnspireerd is op een rioolbuis. Bij de ingang druppelt een bronzen fontein en op het inlegwerk in hout van de bar staan skeletten. De exclusieve parketvloer is een ingelegd labyrint.

Op weg naar de andere, oostelijke helft van het museum komen we weer langs de wenteltrap. Daar tegenover ligt het auditorium van het museum, ontworpen door Alessandro Mendini. De Mendinipaviljoens zijn tentoonstellingsruimtes op twee verdiepingen met dezelfde layout, bestemd voor wisselende tentoonstellingen en presentaties. Het circuit van zalen in de Mendinipaviljoens is gebaseerd op het klassieke prototype van de eerste musea, in het bijzonder op Karl Friedrich Schinkels Altes Museum in Berlijn uit 1823. Met in het midden een centrale grote zaal zijn aan drie zijden reeksen zalen gegroepeerd, met doorgangen in het midden. Zo ontstaat een zogenaamd enfiladesysteem, waarbij een aantal zalen op één lijn ligt. De route wordt daardoor logisch en overzichtelijk voor de bezoeker. Mendini hanteerde bewust dit klassiek-symmetrische systeem, als redesign, maar maakte de doorgangen hoog en voorzag ze van eigentijdse trapeziumvormige lijsten.

Het paviljoen van Coop Himmelb(l)au is ontworpen als een uitvergrote sculptuur op de sokkel van de Mendinipaviljoens. Het steekt er dan ook aan diverse kanten over uit. Dit paviljoen wijkt sterk af van de klassiek-harmonische en symmetrische architectuur van Mendini, De Lucchi en Starck. Alles is schots en scheef en ontregelend. De kleuren zijn die van de materialen: grijs van het beton, rood van het staal en zwart van het teer. Het bouwmateriaal is beton en staal, dat op plekken waar de materialen elkaar niet raken opgevuld is met glas. De architectuur van Coop Himmelb(l)au wordt gerekend tot het deconstructivisme. Deconstructivisten verzetten zich tegen de constructivisten, voor wie de functionele bouw en toepassing van materialen voorop stond. Deconstructivisten maken juist alle onderdelen en materialen los van de klassieke samenhang. Een raam kan in een vloer zitten, het onderscheid tussen wand en plafond, binnen en buiten, valt grotendeels weg.

Het grootste deel van het paviljoen is gebouwd op een scheepswerf ten oosten van Groningen en is via het Verbindingskanaal naar het museum versleept. Niet alleen in het zichtbare materiaal, maar ook in de vormen zijn de verwijzingen naar schepen goed te zien. Zowel binnen in het paviljoen als aan de buitenzijde zijn er loopbruggen. De loopbrug die dwars door het paviljoen heenloopt kan aan één kant zelfs opgehaald worden zoals bij een echt schip.

De zwarte vlekken op de rode delen zijn een sterke uitvergroting van de eerste schets die de architecten met gesloten ogen hebben gemaakt. Zo verwijst het patroon naar het ontstaan van het paviljoen zelf.

Bij de herinrichting van het MendiniRestaurant in 2010 heeft ontwerper Maarten Baas een totaalinrichting van het restaurant ontworpen met meubels gebaseerd op zijn serie Clay, die zich ook in de collectie van het museum bevindt. Speciaal voor het museum ontwierp hij een aantal nieuwe modellen. Baas kneedde iedere stoel zelf. Zoals een kind met klei knutselt, wilde hij een snel geïmproviseerd beeld neerzetten. De combinatie van een stalen frame met synthetische klei maakte dit mogelijk. Studio Baas & Den Herder produceerde de grotere serie.

De kleur van de stoelen, ergens tussen groen en geel, zit door en door in de klei. Juist de kleine variaties in kleur en vorm zijn interessant. Hiermee behoudt Baas zijn schetsmatige, geïmproviseerde handschrift. Zijn Clay-meubels zijn volgens hem een reactie op de verstikkende definitie van perfectie. Iedere stoel in het MendiniRestaurant is, net als de lampen en de spiegels, uniek.

Tegenover het restaurant, aan de andere kant van de entreehal, bevindt zich de museumwinkel met een rijk aanbod aan boeken, ansichtkaarten en designobjecten. Het winkelinterieur is ontworpen en gerealiseerd door Vorm Martini uit Groningen.

Het Groninger Museum dankt alle sponsoren, partners, begunstigers, salonleden en vrienden die van groot belang zijn voor het museum. Bijvoorbeeld de GasUnie voor hun schenking in 1987 waarmee de bouw van het Groninger Museum mogelijk werd. En dankzij Stichting Beringer Hazewinkel werd de inrichting van het paviljoen met werk van De Ploeg mogelijk. De verbouwing van het atelier van het museum in 2015 werd mogelijk gemaakt door de steun van de heer en mevrouw De Marees van Swinderen.

1987 Schenking
NV Gasunie schenkt 25 miljoen gulden aan Gemeente Groningen ter gelegenheid van 25 jaar Gasunie.

1994: Geopend door Prinses Beatrix

Directeur
Frans Haks

Hoofdarchitecten
Alessandro Mendini / Francesco Mendini

Gastarchitecten
Philippe Starck
Michele de Lucchi
Coop Himmelb(l)au: Wolf D. Prix en Helmut Swiczinsky

Subsidiegevers
Gemeente Groningen, Provincie Groningen

2001: Ingebruikname Ploegpaviljoen

Vormgever
Michele de Lucchi

Schenking
Stichting Beringer Hazewinkel

2010: Revitalisatie


Architecten
Alessandro Mendini / Francesco Mendini

Vormgevers
Maarten Baas
Studio Job
Jaime Hayon

Hoofdsponsor
De revitalisatie is mede mogelijk gemaakt door Stichting WGC2006 (Wereld Gas Congres 2006), waarin samenwerkten EnergieNed, Gasterra, Gasunie en KVGN (Koninklijke Vereniging van Gasfabrikanten in Nederland).

Subsidiegevers
Gemeente Groningen, Provincie Groningen
Dit project is mede gefinancierd door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN).

Kunstwerk De Brug, Wim Delvoye, 1994
Kunstwerk De Brug, Wim Delvoye, 1994

Verstopt kunstwerk

Aan de stationszijde van het museumeiland bevindt zich een magneetachtige blauwe poort, die toegang biedt tot de ophaalbrug en de looproute naar de stad. Die brug is genoemd naar H. N. Werkman, een belangrijke kunstenaar van de Groninger vereniging De Ploeg. Maar de brug biedt nog meer aanknopingspunten met de beeldende kunst. Wie hier overheen loopt of fietst, beseft niet dat hij over een kunstwerk gaat. Onder de brug zitten grote stickers van de Belgische kunstenaar Wim Delvoye. Het zijn cartoons, die gebaseerd zijn op zeventiende-eeuwse emblemen, die ook wel op Oudhollandse tegeltjes staan. Het werk van Delvoye verwijst zo naar alle verzamelingen van het museum: de oude beeldende kunst, de verzameling keramiek waaronder Delfts blauw en naar de eigentijdse kunst, vanwege de moderne stripelementen. Dit kunstwerk is alleen te zien als de brug openstaat, vanaf de stadszijde.