George Martens

Groningen 1894 - Groningen 1979

Ploegoprichter 1918.

Binnen het gezin waarin de jonge Martens opgroeide werd het schilderen gestimuleerd. Zijn eerste lessen kreeg hij van zijn vader die zeegezichten maakte. In 1912 begon hij als leerling aan de Academie Minerva, waar hij zijn latere vrouw Alida Pott leerde kennen, evenals Johan Dijkstra en Jan Wiegers met wie hij in 1918 Kunstkring De Ploeg oprichtte. Als actief Ploeglid nam Martens deel aan exposities maar vervulde ook bestuursfuncties. En hoewel het tussen hem en De Ploeg niet altijd boterde was het een verbond voor het leven, want lid van De Ploeg bleef hij tot zijn dood.

  • George Martens - Rolschaatsende Meisjes. Collectie Stichting De Ploeg
  • George Martens - Roddel in de regen. Collectie Stichting De Ploeg
  • George Martens - Kattendiep in de regen. Collectie Stichting De Ploeg

George Martens begon zijn carrière met het schilderen van portretten maar trok er ook vaak op uit. Hij was van de partij als Ploegvrienden bij het Blauwbörgje werkten en zich vermaakten, want als gangmaker binnen de club was dat laatste voor Martens niet onbelangrijk. Martens, wel getypeerd als luie schilder, was niet eenkennig in de keuze van zijn onderwerpen. Hij registreerde wat zich in zijn directe omgeving voordeed en was bovenal stadsschilder. Hij hield van de bedrijvigheid en gezelligheid van het stadsleven en van de dynamiek van verkeer. Martens tekende voor een bruisend leven. Hij reed op een Harley Davidson en was in het algemeen gefascineerd door beweging. Als enige binnen De Ploeg gaf hij snelle sporten weer, zoals motorrijders op de TT en schaatsers of sulky’s met dravers.

Spirit was er ook in zijn werkwijze. Driftig en schetsmatig zocht hij naar de vorm, waarbij zijn expressieve handschrift werd gedreven door het vuur van zijn emotionaliteit. Behalve met de tekenstift en het zachte krijt, gaf hij ook met de kwast snelle impressies van wat hij zag, schetste hij met verf. In de twintiger jaren gebruikte hij een korte periode de schrale poederachtige wasverf, vanaf 1928 uitsluitend olieverf. Evenals andere expressionisten heeft Martens houtsneden gemaakt, maar meestal koos hij voor de directheid van het potlood of de flexibele kwast. Het geduldig graveren van een etsplaat was in elk geval minder aan hem besteed.

Binnen De Ploeg onderging Martens vooral de invloed van Jan Wiegers en via hem van Kirchner die ook stadsgezichten maakte. Maar waar de laatste meer de harde keerzijde van het stedelijk leven toonde gaf Martens een vrolijk straatbeeld, met kleurig geklede vrouwen die elkaar in de regen hun roddels vertellen of winkelen op de Vismarkt.

Uiteraard hebben George Martens en Alida Pott zich door hun vriendschap en huwelijk nauwelijks aan elkaars invloed kunnen onttrekken. In sommige werken van Martens’ hand herken je die van Pott en andersom. Toch was hun artistieke verwantschap niet groot en behielden ze hun identiteit. In het oeuvre van Pott zien we geen bruisende stad of snelle sporten. En anders dan Alida Pott, die vaak naar het lineaire neigde, was Martens geïnteresseerd in schilderkunstige problemen en modelleerde hij de vorm met licht en donker. In tegenstelling tot de etherische naaktstudies van Pott waren die van Martens van vlees en bloed, waarbij hij in het model soms meedogenloos het volkstype van de lellebel registreerde.

Dat George Martens zich kon ontplooien was mede dankzij de stimulans van Alida Pott die ruimte gaf aan zijn loopbaan. Na haar dood in december 1931 verloor hij als kunstenaar zijn schwung, en verruilde hij het levendig expressionisme voor een rustiger impressionisme, een trend die ook bij andere Ploegleden na 1929 zichtbaar werd. In plaats van het stadsleven schilderde hij meer portretten en ook de zee vanaf zijn tjalk Alida, waarvan hij sinds 1931 eigenaar was. Na de oorlog bleef het water een belangrijk motief, evenals de wederopbouw van de stad en het weer opbloeiende uitgaansleven.

Aan belangstelling voor zijn werk had Martens geen gebrek. Hij exposeerde tot aan het einde van zijn loopbaan, zoals in 1954 ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag in Pictura. En in 1976 op de tentoonstelling ‘Groningen 1918-1928’, gewijd aan Martens en Dijkstra, Ploegschilders van het eerste uur. Het was de laatste tentoonstelling tijdens zijn leven.

------------
Tekst: Annemarie Timmer
Literatuur: Cees Hofsteenge, Thijs Martens/Caspar, Wechgelaer, George Martens en Alida Pott. Leven en werken, Groningen 1993. Cees Hofsteenge, De Ploeg 1918-1941. De hoogtijdagen, Groningen 1993, pp. 123-131. Doeke Sijens, ‘Het dichterlijk expressionisme van George Martens’, in: Ekke A. Kleima, George G. Martens, Henk Melgers, Alida J. Pott, Jannes de Vries - Bezield met meer of minder moderne geest, red: A. Burema, e.a., Groninger Museum, Groningen 2003, pp 16-31.