Jan Gerrit Jordens

Wageningen 1883 - Groningen 1962

Ploeglid vanaf 1918 tot 1951

Jan Gerrit Jordens werd in 1883 te Wageningen geboren. Na opleidingen aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag en de Rijksnormaalschool voor Tekenleraren in Amsterdam werd hij in 1907 aangesteld als docent tekenen aan de Rijks HBS in Warffum. Een jaar later werd hij aldaar directeur van de avondtekenschool. In 1916 verhuisde hij met zijn gezin naar de stad Groningen, waar hij een betrekking aanvaardde als tekenleraar aan de Rijks HBS. Twee jaar later verruilde hij deze voor de Gemeentelijke HBS te Groningen. Geïnspireerd op het gedachtegoed van de Oostenrijkse tekenpedagogen Franz Cizek en Richard Rothe, introduceerde Jordens een nieuwe wijze van lesgegeven op basis van vrije expressie. In de jaren twintig van de vorige eeuw publiceerde hij met enige regelmaat over zijn onderwijsmethode. In 1925 verschenen De 1e twintig en De 2de twintig en in 1930 De 3e twintig, drie bundelingen linoleumsneden van zijn leerlingen.

  • Jan Gerrit Jordens - Duinlandschap. Collectie Stichting De Ploeg
  • Jan Gerrit Jordens - Compositie met ronde vormen. Collectie Stichting De Ploeg
  • Jan Gerrit Jordens - Compositie met rode en blauwe vormen. Collectie Stichting De Ploeg

Door zijn drukke werkzaamheden als tekenleraar kon Jordens relatief weinig tijd besteden aan zijn vrije kunstenaarschap. Desondanks wist hij zich te bekwamen in de meest uiteenlopende disciplines en vervulde hij een belangrijke rol binnen Kunstkring De Ploeg, waarvan hij in het oprichtingsjaar 1918 lid was geworden. Hij bedankte in 1921 vanwege een meningsverschil over de jurering bij exposities, maar werd kort daarna weer lid. Jordens was voorzitter van De Ploeg in de perioden 1924-1925, 1930-1932 en 1935-1941. Tijdens de internationale tentoonstelling, die De Ploeg in 1933 ter gelegenheid van haar vijftienjarig bestaan organiseerde, gaf hij kunstbeschouwelijke rondleidingen. In 1939 schreef hij het eerste artikel over Hendrik Nicolaas Werkman in de Kroniek van Hedendaagsche Kunst en Kultuur.

Jordens was een van de weinige Ploegleden die nauwe contacten onderhield met het Hollandse kunstleven. In de periode 1906-1916 was hij lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging St. Lucas en vanaf 1916 van de Onafhankelijken. Met deze vereniging zou hij tot ver in de jaren twintig exposeren.

Jordens’ vroege schilderkunst vertoont overeenkomsten met het werk van de kunstenaars Henri LeFauconnier, Piet van Wijngaerdt en andere Hollandse expressionisten dat hij in zijn Haagse en Amsterdamse tijd had leren kennen. Met Jan Wiegers was hij in de beginjaren van De Ploeg de belangrijkste vertegenwoordiger van het plaatselijk modernisme. Zijn werk kenmerkt zich door een palet van warme okers, blauwen en bruintinten, scherpe, tot bijna-abstracte waarden gereduceerde deformaties en dicht op het beeldvlak geplaatste voorstellingen. Onder invloed van het in 1921 door Jan Wiegers geïntroduceerde Duits expressionisme verdwenen de aan het symbolisme verwante stileringen die vooral in zijn grafiek de boventoon voerden. Vond hij in zijn houtsneden en etsen aansluiting bij het expressionisme van Jan Wiegers, Jan Altink en Johan Dijkstra, in zijn schilderijen bleef hij opmerkelijk trouw aan zijn oorspronkelijke uitgangspunten. Hij experimenteerde weliswaar met wasverf en koos voor korte tijd voor meer vlakmatige beeldoplossingen, maar zijn werk behield een op de Hollandse en Franse schilderkunst georiënteerde toon en expressie.

In de jaren dertig, het decennium waarin de meeste Ploegkunstenaars terugkeerden naar gematigde vormen van expressionisme en impressionisme, experimenteerde Jordens met de beeldende mogelijkheden van het Franse kubisme. In zijn schilderijen uit deze periode werd de voorstelling opengebroken en in fragmenten ritmisch over het beeldvlak verspreid. Deze kubistische fase vormde de opmaat voor zijn latere abstracte composities.

In 1945 werd Jordens weer lid van De Ploeg, maar uiteindelijk verliet hij de vereniging in 1950 definitief om zich aan te sluiten bij meer eigentijds-modernistische groeperingen. Begin jaren vijftig formeerde hij met geestverwanten – waaronder Jan van der Zee, Ekke Kleima en Abe Kuipers – Het Narrenschip en in 1960 trad hij toe tot de kort daarvoor opgerichte kunstenaarsgroep NU, die voornamelijk bestond uit jongere kunstenaars. Ofschoon velen van hen hem achteraf typeerden als afstandelijk en moeilijk benaderbaar, betekende zijn lidmaatschap een morele steun voor de jongste generatie modernisten in Groningen.

 Jordens bereikte in 1948 de pensioengerechtigde leeftijd, juist in een tijd dat de actuele beeldende kunsten ingrijpend veranderden. De vrije expressie, die hij in zijn onderwijs altijd centraal had gesteld, werd door jonge kunstenaars vol overgave aangegrepen om te breken met oude waarden. Voor Jordens, die zich vanaf dat moment geheel kon wijden aan zijn kunstenaarschap, brak een periode aan van grote productiviteit en creativiteit. Tot de hoogtepunten van zijn naoorlogse werk behoren de reeksen lyrisch abstracte impressies in aquarel die hij maakte van sparrenbossen en van het waddeneiland Schiermonnikoog, de reeksen sjabloondrukken en de abstracte schilderijen uit de periode 1956-1962.
 In Jordens’ schilderkunst bleek het creatieve proces – het bezig zijn met materialen, vormen en ordenen – belangrijker dan het uiteindelijke resultaat. Tijdens dat proces bracht de kunstenaar aan de realiteit ontleende vormen terug tot losse fragmenten, die binnen de compositie geheel nieuwe relaties met elkaar aangingen.

Hoewel Jordens in de naoorlogse jaren voornamelijk inspiratie vond bij de schilders van de École de Paris, behield zijn werk een sterk authentiek karakter. Gaf het werk van de Franse schilders doorgaans blijk van fijnzinnige lyriek en decoratieve esthetiek, het werk van Jordens was vooral ruig, weerbarstig en nadrukkelijk op de materie bedwongen. Zijn sterke betrokkenheid met het scheppende materiaal bracht hem er uiteindelijk zelfs toe om zijn verven te vermengen met gruis en zand en om touw en textiel in zijn schilderijen te verwerken. Dergelijke experimenten typeerden zijn voortdurende drang zichzelf te vernieuwen. Jan Jordens overleed in 1962 op 79-jarige leeftijd.

Tijdens zijn leven nam Jordens deel aan tal van belangrijke groepsexposities. Al in zijn Warffumse jaren nam hij twee keer deel aan exposities in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Door Le Fauconnier werd hij uitgenodigd in Parijs grafiek te exposeren. In 1934 werd zijn grafisch werk in Budapest bekroond met een erediploma. In 1956 werd in het Stedelijk Museum een solotentoonstelling georganiseerd van zijn aquarellen en in 1958 organiseerde het Groninger Museum een omvangrijke duotentoonstelling van het werk van Jordens en Jan van der Zee.

Na zijn dood organiseerde het Gemeentemuseum in Den Haag de tentoonstelling J.G. Jordens 1893-1962 lino's en aquarellen (1962-1963), werd een overzichtstentoonstelling samengesteld in de Synagoge te Groningen (1994) en stond zijn werk centraal in de gelijktijdige exposities Jan Jordens en tijdgenoten in het Groninger Museum en Jan Jordens - Het vroege werk in het Openluchtmuseum Het Hoogeland te Warffum (2006).

Tekst: Han Steenbruggen
Literatuur: Alma Buruma en Han Steenbruggen (red.), Jan Jordens , ‘Geen kunstenaar der voleinding, maar des wordens’, catalogus bij de tentoonstelling 18 februari 2006 - tot 18 september 2006. Groningen: Groninger Museum 2006; W. Jos de Gruyter, 'Jan Jordens: spar, waterverf 1949. Groninger Museum'. Groningen. Cultureel maandblad, 1959, nr. 1, p.115; W. Jos de Gruyter, 'Jan Jordens en Jan van der Zee', in: W. Jos de Gruyter (red.), Beeld en Interpretatie. Den Haag: Bert Bakker / Daamen N.V.1964, pp. 124-130; Cees Hofsteenge, De Ploeg 1918-1941. De hoogtijdagen. Groningen: Benjamin & Partners 1993, pp. 107-113; Cees Hofsteenge en Caspar Wechgelaer, Jan Gerrit Jordens, leven en werken. Groningen: Benjamin & Partners 1994; Peter Jordens, 'Vituoos en vitaal. Jan Gerrit Jordens', Afslag Noord, nr. 5, 1998, pp. 4-7; Adriaan Venema, De Ploeg 1918-1930. Baarn: Het Wereldvenster 1978, pp. 102-105, 271f.