Johan Dijkstra

Groningen 1896 - Groningen 1978

Ploegoprichter 1918

Johan Dijkstra bezocht de driejarige HBS en volgde vanaf 1915 middaglessen aan de Academie Minerva. In 1919 kreeg hij de bronzen academie medaille voor zijn werk. Van 1919 tot 1920 studeerde hij aan de Rijksacademie in Amsterdam, waar hij in 1920 de akte M.O. Tekenen behaalde. Johan Dijkstra hoorde bij de oprichters van De Ploeg, maar kon door zijn verblijf in Amsterdam er in de eerste jaren niet bij zijn. Terug in Groningen voorzag hij in zijn levensonderhoud door het maken van illustraties en reclamewerk. In april 1923 organiseerde Dijkstra met Altink en Wiegers het eerste lustrumfeest van De Ploeg op Blauwbörgje, een plek net buiten de stad waar veel geschilderd werd door de Ploegleden. Vanaf begin 1926 tot in 1940 exposeerde Dijkstra vrijwel jaarlijks buiten Groningen. Ook had hij solo-tentoonstellingen in Groningen bij Pictura, in Amsterdam en Den Haag. Tussen 1928 en 1940 had hij geen bestuursfuncties meer bij De Ploeg, maar deed hij wel zijn best om het ledental uit te breiden. Hierin had hij Werkman als opponent. Sinds 1930 schreef hij recensies voor de Provinciale Groninger Courant, waardoor hij voor velen deel ging uitmaken van het establishment.

  • Johan Dijkstra - Kerkje te Oostum. Collectie Stichting De Ploeg
  • Johan Dijkstra - Concours hippique. Collectie Stichting De Ploeg

In 1919 nam Dijkstra deel aan de eerste Ploegtentoonstelling. De persreacties waren positief. In 1921 begon hij te experimenteren met kleur en techniek. Hij onderging de invloed van Franse en Vlaamse kunstschilders, die hij leerde kennen door hun tentoonstellingen bij Pictura. Ook liet hij zich in deze tijd zeer inspireren door Vincent van Gogh. Dijkstra schilderde eveneens landarbeid en boerenleven. Ook zijn grafiek nam op de exposities een belangrijke plaats in. Tussen 1925 en 1930 ontstond met verscheidene technieken een omvangrijk oeuvre, waaronder de bekende houtsnede “Chez Dicque” die enkele Ploegleden laat zien op bezoek in hun stamkroeg Café Dik.

Door Dijkstra’s activiteiten op het gebied van de monumentale kunst, glas-in-lood ramen, raakte zijn grafisch werk in de jaren dertig op de achtergrond. In 1927 maakte hij het bekende portret van Jan Wiegers. Eind jaren twintig nam de invloed van het expressionisme op het werk van Dijkstra af. Rond 1930 begon hij te experimenteren met glasschilderkunst en nam hij les bij glazeniers. Hij maakte ramen voor de aula van de Universiteit in Groningen en ontwierp de gobelins voor de Eerste Kamer in Den Haag. Voorts bracht hij wandschilderingen aan in het Groninger stadhuis. Gedurende de oorlog maakte hij vele landschapsetsen die een documentair karakter droegen. Na de oorlog nam hij zijn werk als recensent weer op; zijn recensies hadden een polariserend karakter en bezorgden hem aanhangers en tegenstanders. Met De Ploeg exposeerde hij tot in de jaren zeventig.

------------
Tekst: Toos Boersema.
Adriaan Venema, De Ploeg 1918-1930, 53, 54, 270, 271. Cees Hofsteenge, De Ploeg, 84-93.