Siebe Jan Bouma

Groningen 1899 - Den Haag 1959

'Voorlopig' Ploeglid 1941 - 1942

Kind van onze tijd zijn we allemaal, daar valt niet aan te ontkomen. Er zijn echter mensen die uit de mogelijkheden en omstandigheden van hun tijd beter dan anderen profijt weten te trekken. Zo iemand was mijn grootvader, Siebe Jan Bouma (1899-1959). Dankzij hard werken, avondstudie en veel talent kon deze zoon van een Friese timmerman het aan het eind van zijn carrière schoppen tot 'wetenschappelijk hoofdmedewerker voor het project Landelijke Bouwkunst' van het ministerie van OCW en werd hij, op zoek naar monumenten, het land rondgereden in een auto met chauffeur (hij had geen rijbewijs).

  • Jan Wiegers, portret S.J. Bouma, 50 x 40 cm, olie-wasverf op katoen, 1934, Collectie Stichting De Ploeg
  • Het door Siebe Jan Bouma (1899-1959) ontworpen kantoor van Gemeentewerken aan het Gedempte Zuiderdiep in Groningen. Het pand, dat werd gebouwd in 1928, is een rijksmonument (nr. 485594) en is nu in gebruik als kantoor van de Dienst RO/EZ.
  • Glas-in-lood ramen in het trappenhuis van de oudbouw RO/EZ. Foto Taco Tel.
  • Glas-in-lood ramen in het trappenhuis van de oudbouw RO/EZ. Foto Taco Tel.

Voor ons is belangrijker wat hij heeft nagelaten. Bij voorbeeld een visionair plan voor een buitenmuseum over de Zuiderzeecultuur dat decennia na zijn dood is uitgevoerd. En hij is de architect van Madurodam, iets om als kind trots op te zijn. Maar voor de vruchtbaarste periode uit zijn leven moeten we terug naar zijn jonge jaren, waarin hij tussen zijn 21ste en 43ste voor de stad Groningen talloze gebouwen, scholen, woningen, bruggen, tramhokjes, trafohuisjes en urinoirs heeft ontworpen. Het is niet overdreven om te zeggen dat hij het gezicht van vooroorlogse Groningen heeft bepaald. Die erkenning geniet hij gelukkig ook in de stad zelf. Er zijn inmiddels bruggen en scholen naar hem vernoemd.

Het is nog altijd wonderlijk hoe een jongen met een timmerdiploma in zo'n snelle tijd kon uitgroeien tot stadsarchitect, ook al bestond die titel niet en is mijn grootvader nooit verder gekomen dan bevordering tot 'technisch tekenaar der eerste klasse'. Nog voor hij in vaste dienst mocht komen in 1926 werkte hij al aan zijn meesterwerk, het gebouw van Gemeentewerken op het Gedempte Zuiderdiep. Daarvoor heeft hij ook de meubels en het interieur ontworpen, inclusief de prachtige hal met het glas-in-lood.

Zoiets kan alleen in een omgeving die bruist van creativiteit en vernieuwingsdrift. Mijn grootvader leerde rond 1925 de kunstenaars van De Ploeg kennen, en hoewel hij nooit werkend lid is geweest (pas in 1941 is er sprake van een 'voorlopig lidmaatschap'), zijn de vriendschappen die hij in De Ploeg opdeed bepalend geweest voor zijn ontwikkeling. Mijn grootvader kende vele Ploegleden, zoals ook het portret van Jan Wiegers bewijst, maar hij was vooral goed bevriend met Johan Dijkstra, van wie hij ook les heeft gekregen. Ook Sieb Bouma heeft als verdienstelijk amateurkunstenaar en plein air staan schilderen in het Blauwborgje. Hij schilderde net als zijn Ploegmaten in een expressieve stijl, zij het wel wat behoudender qua kleur en compositie.
Waar zouden ze het over gehad hebben, al schilderend aan de waterkant? Of bij een glas bier in het café? Over de Stijl. Over het constructivisme. Over de artikelen in de laatste Wendingen. Over de verheffing van de arbeider. Mijn opa was dan misschien geen lid van de kunstenaarsbent, hij was zeker onderdeel van het Groningse discours. Bijvoorbeeld als bestuurslid van de actieve Vereniging tot bevordering der Bouwkunst, waarvan iemand als Hendrik Werkman kunstminnend lid is.
Als kunstenaar was Siebe Jan Bouma een wonderlijke mengeling van vooruitstrevendheid en traditionalisme. Hij omarmde iedere nieuwe stijl, de Amsterdamsche School, Dudok, het Nieuwe Bouwen, de Delftse school, en verwerkte die vervolgens met grote liefde voor details en respect voor de gebruikers. Hij was een romanticus, maar in alles wat hij ontwierp bleef hij op een bepaalde manier toch een ambachtsman.

Als monumentenzorger was hij al even visionair en behoudend. Hij vond bijvoorbeeld dat het Zuiderzeemuseum geen 'asyl voor rariteiten' mocht worden, maar een 'levend museum' moest zijn met echte bewoners (de voormalige vissersbevolking), waar de schepen zouden dobberen tegen een decor van 'de zilte bries, het wijde water, en het werkende volk, de pittige geur van dampende netten en vis-in-de-rook'.

Mijn opa Bouma was meubelmaker, graficus, een uitmuntend fotograaf, schilder, tekenaar, architect, erfgoedbewaker en volkskundige, maar bovenal moet hij een hele aardige en intelligente man zijn geweest. Geen familieman, maar iemand die tot diep in de nacht zat te werken met de radio keihard aan op een klassieke zender. O, wat had ik hem graag leren kennen.

Tekst: Hilda Bouma (1960)